Botlek tunnel afgesloten uit vrees voor aanslagen. Foto: ANP, Jasper Juinen
 
Reageer

Extra zekerheid inbouwen bij vervolging terrorismeverdachte

Nederland heeft de terrorismewetgeving sinds 9/11 een stuk beter geregeld volgens de basisprincipes van de rechtsstaat dan de Verenigde Staten. Maar in theorie is het mogelijk dat er situaties voorkomen waarin de Nederlandse overheid haar boekje te buiten zal gaan. Dat concludeert Marianne Hirsch Ballin (28) in haar promotieonderzoek waarin ze aanbevelingen doet om dergelijke gevallen te voorkomen.

Toen Hirsch Ballin voor haar onderzoek in de Verenigde Staten was, hoorde ze van een man die in een Kafkaëske situatie was beland. Op basis van zeer twijfelachtige informatie werd hij in verband gebracht met de aanslagen in Madrid in 2004. Niet meer dan een vage, amper leesbare vingerafdruk was het spoor dat naar hem had geleid. “Zijn hele huis werd doorzocht en zijn gezin jarenlang in de gaten gehouden. Uiteindelijk bleek dat hij helemaal niets met de aanslagen te maken had”, zegt Hirsch Ballin die afgelopen vrijdag haar proefschrift Anticiperende opsporing; Theorie en praktijk van terrorismebestrijding in Nederland en de Verenigde Staten succesvol verdedigde.

Onderzoek doen op basis van dit soort vage aanwijzingen, iemand volgen op basis van een anonieme tip, niet-Amerikaanse medewerkers van internationale organisaties in de gaten houden: sinds de aanslag op de Twin Towers op 9 september 2001 hebben de inlichtingendiensten in de VS een haast ongebreidelde vrijheid om terroristische aanslagen te voorkomen. Bovendien mogen de bevindingen van de inlichtingendiensten - anders dan daarvoor - worden gebruikt als bewijs in een strafproces.

De FBI, die niet alleen ‘gewone’ misdaden bestrijdt maar ook werkt als binnenlandse veiligheidsdienst,  kan dus met één onderzoek twee doelen dienen: inlichtingen inwinnen om aanslagen te voorkomen én bewijzen vergaren voor vervolging van de verdachten. En dat is nu net waar de schoen wringt, zegt Hirsch Ballin. De FBI heeft te veel macht gekregen en de kans dat een verdachte een eerlijk proces krijgt, is kleiner geworden.

Ter voorbeeld: tijdens het strafrechtelijke onderzoek kan de verdachte worden gearresteerd, of kan zijn huis worden doorzocht. Ook kan een vervolging leiden tot de meest vergaande straf: vrijheidsontneming. Terwijl een persoon van een onderzoek door een aparte inlichtingendienst niets merkt: het doel van de informatie is niet bewijs verzamelen voor een strafproces, maar een dreigingsanalyse opstellen om de nationale veiligheid te beschermen. Als één organisatie beide dingen moet doen zoals de FBI, dan vervagen die grenzen.

Plattegrond en kunstmest

Ook in Nederland is de terrorismewetgeving het laatste decennium flink aangescherpt. Hirsch Ballin: “Zo is het mogelijk dat het Openbaar Ministerie (OM) al een opsporingsonderzoek opstart als er ‘aanwijzingen’ zijn voor een terroristisch misdrijf. Dit hoeft niet zoveel om handen te hebben. Een gevonden plattegrond van een overheidsgebouw en een zak kunstmest kunnen al genoeg zijn.” Verder beoogt de terrorismewetgeving dat de inlichtingendiensten, vooral de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE), meer en op een eerder moment informatie uitwisselen met het Openbaar Ministerie (OM). Die informatie kan vervolgens worden gebruikt als bewijs in het strafproces.

Opsporingsbevoegdheden die veel verder reiken dan bij normale misdrijven zijn volgens de kersverse advocate in principe legitiem vanwege de aard en complexiteit van terrorisme. “Aanslagen zijn gericht op het maken van zoveel mogelijk slachtoffers. Het grote verschil met georganiseerde criminaliteit zoals drugshandel is, dat burgers en de nationale veiligheid direct worden getroffen. Bovendien zijn terroristen lastig aan te pakken omdat de organisaties grensoverschrijdend zijn met cellen in verschillende landen. Of juist omdat het lone wolves zijn die alleen opereren en onder de radar blijven.”

Hirsch Ballin heeft de Nederlandse situatie langs de meetlat van de rechtsstaatprincipes gelegd en concludeert dat de wetgeving hier in orde is. De AIVD houdt zich primair bezig met het inwinnen van informatie over op handen zijnde aanslagen. De AIVD licht vervolgens de politie en het OM in die een strafrechtelijk onderzoek doen dat steunt op voldoende waarborgen en voorwaarden. Dat personen die slechts op basis van een ‘aanwijzing’ - en niet van het zwaardere ‘verdenking’ zoals voor andere misdrijven - onderwerp zijn van zo’n onderzoek, hoeft geen probleem te zijn. Zo lang er een voldoende hoge drempel is opgeworpen om te voorkomen dat de AIVD lukraak naar informatie gaan vissen. En zo lang nauwkeurig omschreven is wanneer en hoe informatie van de inlichtingendiensten mag worden gebruikt in een strafproces.

AIVD-medewerkers als afgeschermde getuigen

In de praktijk is het echter mogelijk dat er situaties voorkomen waarin Nederland niet meer de rechtsstaattoets zal doorstaan. Hirsch Ballin: “Stel: de AIVD licht het OM in over mogelijke voorbereidingshandelingen van een terroristisch misdrijf. Dit kan ertoe leiden dat de AIVD en het OM tegelijk onderzoek doen en dat het OM hierdoor te veel leunt op AIVD-informatie. De onderzoeken raken dan te zeer vervlochten.”

Om te zien in hoeverre het OM leunt op informatie van de AIVD stelt Hirsch Ballin voor om de controlerende taak van de rechter uit te breiden. “De rechter moet in Nederland het opsporingsonderzoek dat onder verantwoordelijkheid van het OM wordt uitgevoerd, toetsen. Maar hij mag dit niet doen voor onderzoek dat door de inlichtingendiensten is gedaan. Je kunt dan de controlerende taak van de rechter uitbreiden, als er vragen zijn over de rol van de AIVD in het opsporingsonderzoek. De rechter kan dan checken in hoeverre het werk van de inlichtingendiensten het opsporingsonderzoek heeft beïnvloed. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door de mogelijkheid om afgeschermde getuigen te laten horen bij de onderzoeksrechter, voor dit doel in te zetten. Een AIVD-medewerker kan dan tegenover de rechter meer vertellen over zijn of haar onderzoek.”

Overigens is de jonge doctor van mening dat er in Nederland gewetensvol wordt gewerkt. “Er zijn überhaupt maar een paar zaken op jaarbasis die door een onderzoek van de inlichtingendiensten bij het OM terecht komen. Na de IRT-affaire in de jaren 90 zijn politie en justitie huiverig geworden voor de heimelijke sfeer. Natuurlijk weet je door die sfeer ook niet precies wat zich allemaal achter de schermen afspeelt. Daar staat dan weer tegenover dat een speciale onafhankelijke commissie streng toezicht houdt op de inlichtingendiensten.”

 

© 2014