Reageer
afbeelding van Anne-Marie van Gijtenbeek

Voorkeursbeleid is anders dan discriminatie

Positieve discriminatie in Groningen? Volgens Anne-Marie van Gijtenbeek, coördinator van het Vrouwennetwerk UU, gaat de feitelijke discussie over het kunnen vergelijken van geschiktheid.

Positieve actie, positieve discriminatie of voorkeursbeleid: hoe je het ook noemt, het stuit altijd weer op veel weerstand. Je zou bijna vergeten waarom het is ooit is ingevoerd, wat voorkeursbeleid precies inhoudt en onder welke wettelijke voorwaarden het mag worden toegepast. Waar draait de discussie rond de Groningse benoemingen nu feitelijk om? Gaat de discussie over gelijke geschiktheid? Of over de zienswijze van de Commissie Gelijke Behandeling? Of over het al dan niet mogen voeren van een voorkeursbeleid?

Bij “positieve discriminatie” maak je een onderscheid in het voordeel van een groepering die ondervertegenwoordigd en in het nadeel is. Een voorkeursbeleid trekt - per saldo - geen mensen voor, maar wil juist bestaande ongelijkheid teniet doen. Het staat buiten kijf dat vrouwen een geschiedenis van “negatieve discriminatie” hebben. Ze mogen pas een eeuw meedoen in de wetenschappelijke wereld en kunnen hun wetenschappelijke potentie en ambitie pas werkelijk tonen indien ze het achterhaalde en weinig relevante, maar hardnekkige Nederlandse systeem hebben overleefd. Die ouderwetse organisatiestructuur heeft met de kwaliteit van wetenschap weinig te maken, maar heeft al heel wat talenten de kop gekost.

De Commissie Gelijke Behandeling stelt helemaal niet ter discussie of er een voorkeursbeleid mag worden gevoerd. Voorkeursbeleid is juist wel toegestaan, zij het onder een aantal voorwaarden. De Commissie verwijt de RUG met name onzorgvuldigheid, en niet dat zij een voorkeursbeleid heeft gevoerd. De enige reden dat mannen niet hadden mogen worden uitgesloten van het selectieproces, blijkt te zijn omdat daardoor niet kon worden vastgesteld of zij van gelijke geschiktheid zijn.

De feitelijke discussie gaat dus over het kunnen vergelijken van geschiktheid. Als er even geschikte mannen waren geweest, had de RUG vervolgens wél een voorkeursbeleid mogen voeren. Het is wettelijk toegestaan uitsluitend de even of meer geschikte vrouwen aan te nemen, teneinde reeds ontstane ongelijkheid op te heffen. Als de mannelijke uhd’s, puur voor de vorm, de gelegenheid hadden gekregen om wel te solliciteren, en vervolgens waren afgewezen vanwege een voorkeursbeleid, had de Commissie Gelijke Behandeling de Groninger Studentenbond dus hoogstwaarschijnlijk niet in het gelijk gesteld.

We hoeven in ieder geval niet te twijfelen over de kwaliteit en de geschiktheid van de twaalf tot hoogleraar gepromoveerde uhd’s, aangezien ze op basis van hun verdiensten zorgvuldig zijn geselecteerd. Er waren geen twaalf willekeurige vacatures waarbij kansen van mannelijke wetenschappers zijn afgepakt. Wel heeft de RUG doelbewust een budget gereserveerd voor een beleid met evenrediger vertegenwoordiging als doel.

Aan de vrouwelijke uhd’s binnen de RUG werd de gelegenheid geboden zich een keer extra te presenteren en hun cv in het voetlicht te plaatsen. De faculteitsbesturen selecteerden daaruit de beste twaalf, die vervolgens zijn voorgedragen voor promotie tot hoogleraar. De RUG trachtte het effect van structurele ongelijke behandeling van vrouwen zonder omhaal te compenseren. Er is binnen de RUG gezien de hele procedure waarschijnlijk heel goed gekeken naar geschiktheid, alleen niet in de vergelijking met mannen. Professorabele universitair hoofddocenten hebben een bevordering tot hoogleraar gekregen die ze misschien al wel eerder hadden mogen krijgen.

Los van discussie rond het oordeel van de CGB vind ik het wel een beetje jammer dat de Groninger Studentenbond door de jaren niet eerder aanleiding heeft gezien en de handschoen heeft opgepakt om te klagen over ongelijke behandeling in willekeurige omgekeerde gevallen, waarbij talentvolle vrouwen werden gepasseerd ondanks gelijke geschiktheid. Dat is ook wel wat lastiger om de vinger op te leggen.

De ingesleten, meer structurele benadeling van vrouwelijke wetenschappers is veel indirecter en dus moeilijker hard te maken. En die gevallen komen ook niet zichtbaar langs in de Uraad, met een prijskaartje eraan, zoals deze kwestie. Gelukkig is er wel veelvuldig, uitgebreid en grondig onderzoek naar gedaan. Bijvoorbeeld het recente promotieonderzoek (pdf) van dr. Marieke van den Brink. Zij onderzocht de feitelijke gang van zaken bij alle 3322 hooglerarenbenoemingen die in Nederland plaatsvonden in de perioden 1999-2005. Een eyeopener, en nu ook voor het grote publiek te lezen!

Veel studenten en jonge vrouwelijke wetenschappers zijn - gelukkig - positief en hoopvol over hun kansen op de wetenschappelijke arbeidsmarkt. Ze geloven graag dat hun prille carrière even vlot zal gaan verlopen als die van hun mannelijke collega’s. Soms is dat ook zo. Vaak echter ontdekken ze gaandeweg hun loopbaan dat de werkelijkheid weerbarstiger is. 

© 2014