Onzekere studenten zoeken houvast bij eerste stappen op de arbeidsmarkt

Body: 

Eigen ondernemer of zzp’er worden? Het is niet de droom van Utrechtse studenten die op de drempel van de arbeidsmarkt staan. Uit tests blijkt dat ze in een eerste baan liever wat meer geholpen worden bij hun ontwikkeling. In een traineeship, bijvoorbeeld.

Utrechtse studenten willen in hun eerste baan graag aardige collega’s met wie ze aan een maatschappelijk relevant vraagstuk kunnen werken. Dat beeld komt naar voren uit een grafiek op de website van Career Services, het onderdeel van de UU dat studenten begeleidt bij hun loopbaanvoorbereiding.

De grafiek (zie ook hieronder) is een weergave van de ‘werkwaardentests’ die 2328 Utrechtse studenten de afgelopen twee jaar invulden om zich voor te bereiden op de overgang van studie naar werk. Uit de antwoorden blijkt dat ‘relaties op het werk’ en ‘altruïsme’ bovenaan staan op het verlanglijstje voor de eerste baan na het afstuderen. De hoogte van het salaris of de zekerheid van een vaste aanstelling vinden studenten nu nog van minder belang.

Wat verder opvalt zijn de relatief hoge waarderingen voor ‘structuur’, maar vooral ook de minder hoge waarderingen voor ‘autonomie’ en ‘creativiteit’. Je zou wellicht verwachten dat academisch opgeleiden juist veel behoefte aan vrijheid zouden hebben.

“Het lijkt op de blauwdruk van een traineeship”, zegt hoofd Career Services Arjen van Vliet over de gemiddelde scores. “Studenten werken in hun eerste baan naar mijn idee het liefst binnen een duidelijke structuur waarin het duidelijk is wat er van hen verwacht wordt en waarin ze zichzelf geleidelijk kunnen ontwikkelen.”

Het is een beeld dat USBO-docent en HR-deskundige Jasmijn van Harten herkent: “De overgang van de universiteit naar de eerste baan is een heel onzekere fase. In eerste instantie lijkt het misschien wat gek dat studenten zo weinig waarde hechten aan autonomie of zeggenschap over het eigen werk, maar studenten denken dat ze begeleiding nodig hebben bij de eerste stappen op onbekend terrein. Ik denk dat studenten dát bedoelen met structuur. Het liefst hebben ze een mentor die weet wat het vak vraagt en hen verder kan helpen.”

Volgens Van Harten tonen studenten met hun wensen realiteitszin. “Uit een afstudeeronderzoek van een student van de master Human Resources Management van Bestuurs- en Organisatiewetenschap naar de werkdruk bij artsen in opleiding bleek dat de grootste stress juist werd veroorzaakt door taken waar ze niet voor waren opgeleid. Dan gaat het bijvoorbeeld om contacten leggen met collega’s en administratieve taken, dingen die je echt al doende moet leren. Die jonge artsen hadden moeite met wat we ‘newcomer adjustment’ noemen. Dan kun je wel wat steun gebruiken.” 

In het onderzoek dat voor Career Services is ook een vergelijking gemaakt tussen de oordelen van mannen en vrouwen in de werkwaardentest. Daaruit komt een vrij rolbevestigend beeld naar voren. Vrouwen hechten meer waarde aan  ‘relaties op het werk’, ‘altruïsme’ en ‘balans werk/privé’ dan mannen. Die vinden ‘financiële beloning en ‘prestige’ belangrijker. Van Harten: “Dat verschil is ook wel bekend uit andere onderzoeken naar werkwaarden. Het is wel erg opvallend dat die verschillen al op deze leeftijd zo duidelijk zijn. Dit zijn grotendeels jonge vrouwelijke studenten zonder kinderen of zorgtaken.”

Ook de scores van studenten van verschillende faculteiten geven op veel aspecten een enigszins clichématige indruk. Bij studenten Sociale Wetenschappen schiet het balkje ‘altruïsme’ in de grafiek omhoog. Bij studenten van de Rebo-faculteit de balkjes van ‘prestige’ en ‘prestaties’. Maar er blijft ook nog heel wat te gissen en te interpreteren; waarom vinden studenten Diergeneeskunde structuur en zekerheid zo van belang bijvoorbeeld? Klopt dat met hun toekomstperspectief waarin ze vaak een eigen praktijk beginnen?

Van Harten vraagt zich af hoe representatief de geschetste uitkomsten zijn. “Bij mijn faculteit Rebo gaat het om iets meer dan honderd studenten. Dat vind ik weinig. En dan is het nog de vraag van welk departement die komen. Dat rechtenstudenten die de advocatuur in willen het ‘prestige’ van een kantoor belangrijk vinden, kan ik me voorstellen. Maar dat geldt minder voor studenten Bestuurs- en Organisatiewetenschap, vermoed ik. Die gaan vaak in de publieke sector werken.”

Hoofd Arjen van Vliet erkent dat dergelijke aanmerkingen mogelijk zijn. Toch denkt hij dat de totale onderzoeksgroep een redelijke weergave is van de gemiddelde Utrechtse student. Behalve door meer dan duizend studenten die zich melden voor een cursus bij Career Services werd de test ingevuld door vrijwel alle masterstudenten van Sociale Wetenschappen, ook meer dan duizend. Dat leverde overigens wel een scheve verdeling op tussen het percentage mannen (20 procent) en vrouwen (80 procent) onder de deelnemers.

Van Vliet benadrukt dat hij geen onderzoeksexpert is. Hij wil de data vooral gebruiken om studenten die aankloppen bij Career Services na te laten denken over hun eigen voorkeuren.  “In die lage score voor autonomie schuilt bijvoorbeeld misschien wel een risico. Kun je wel goed aangeven wat je zelf wilt en wat voor jou goed werkt? Als dat niet zo is, dan ligt een mindere klik met je baan misschien op de loer.”

Tegelijkertijd wijst Van Vliet zijn cursisten erop dat hun werkwaarden niet altijd overeen zullen komen met wat werkgevers zoeken. “Van die kant hoor je soms dat ze juist eigenzinnige mensen zoeken die vanuit hun kennis durven mee te denken, suggesties durven te doen en het voortouw durven te nemen. Het is belangrijk dat studenten hierover nadenken en kunnen aangeven op welke manier zij denken te voldoen aan deze wensen van de werkgever.”

Ook Van Harten denkt dat het invullen van een werkwaardentest studenten kan helpen in hun loopbaanoriëntatie. “Veel afgestudeerden hebben de neiging om te solliciteren op de banen die passen bij hun studie. Maar het gaat er niet alleen om wat je kunt, maar ook om wat je wilt. Als je die twee kunt matchen, dan is de kans het grootste dat je gelukkig wordt in je werk.”

Toch plaatst ze ook kanttekeningen. “Het blijft allemaal wel erg abstract. Snappen studenten zonder echte werkervaring wel wat er met die waarden bedoeld wordt. Ik vraag me af wat ze als referentiekader gebruiken? Stages? Bijbanen? Aan Career Services de taak om dat goed te duiden en studenten daarbij te helpen.”

 

Je eerste baan is misschien niet meteen je droombaan

Joost
, master Organisatieverandering, afgestudeerd:
“Ik dacht altijd dat ik na mijn studie meteen mijn droombaan moest vinden. Maar ik vind het nu nog erg lastig om te bepalen wat mijn droombaan is. Ik wil eerst graag wat meer ervaring opdoen in het werkende leven.
“Ik solliciteer nu vooral op traineeships. Door de combinatie van leren en werken kan ik erachter komen waar mijn passie ligt en hoe ik mijn toekomstige loopbaan voor me zie. Als een functie leuk is, kan ik misschien blijven hangen.
“Ik heb een stage gelopen bij de Efteling. Op de Human Resources afdeling. Ik vond het leuk om die kant van het werken bij het pretpark te ontdekken, want ik had er al een bijbaantje. De toeristische sector heeft zeker mijn interesse. Bij een pretpark, dierentuin of vakantiepark; en dan het liefst in een leidinggevende functie.”

Anne, bachelor Academische Pabo, eerstejaars:
“Ik heb gekozen voor de academische pabo omdat ik dan meer kan na mijn opleiding: voor de klas staan maar ook werken aan de beleidskant van het onderwijs.
“Ik verwacht dat mijn eerste baan op een basisschool is. Waar ik tegenop zie is het werk dat je na schooltijd nog moet doen. In mijn stageklas zit een aantal kinderen die extra aandacht nodig hebben. Na de les moeten er dan ook nog een aantal formulieren worden ingevuld.
“Mijn droombaan is: directeur van een basisschool. In die functie sta je dicht bij de kinderen, maar ben je ook bezig met beleid en het aansturen van het team van leerkrachten. Je kunt er echt voor zorgen dat jouw school een goede school is.”

Eileen, bachelor Global Global Sustainability Science, tweedejaars:
“Een eerste baan zie ik als een opstapje naar de rest van je carrière. Een goede mogelijkheid om te netwerken. Niet iets wat je je hele leven doet.
“Mijn droombaan? Dat vind ik wel een lastige vraag. Het liefst zou ik werken bij een internationale organisatie die zich bezighoudt met duurzaamheid. Bijvoorbeeld Greenpeace , het Wereld Natuurfonds of misschien wel de Verenigde Naties. Voor zo’n baan moet je veel naar het buitenland. Maar het liefst blijf ik in Nederland.”

Janosh, bachelor Psychologie, eerstejaars:
“Ik heb, voor ik begon met deze studie, allerlei andere dingen gedaan. Ik heb in de handel gewerkt en ben ook vrachtwagenchauffeur en schilder geweest. Ik denk dat werken als gezondheidszorgpsycholoog mijn droombaan is. Het leuke is, hoe verder je komt des te interessanter zijn de mensen die je mag onderzoeken.
“Het feit dat ik ouder ben dan de gemiddelde student werkt in mijn voordeel. Ik denk dat patiënten sneller iets van mij aan zullen nemen dan van iemand die 23 is. Maar het zou goed kunnen dat ik dat tegen mezelf zeg om de moed er in te houden.
“Ik kan me geen dingen bedenken die mij tegenstaan in het werkveld. Ik ben net begonnen met mijn studie. Ik merk wel dat je ook veel over jezelf leert. Dat kan wel confronterend zijn.”

Sascha, bachelor Liberal Arts and Sciences, tweedejaars:
“Waarschijnlijk ga ik na mijn studie in de media werken. Wat dat precies is, weet ik nog niet.  Voor mijn studie moest ik een hoofdrichting kiezen. Dat is de richting Comparative Media Studies geworden.
“Als kind wilde ik altijd een eigen tv-programma. Nu lijkt het me vooral leuk om te schrijven voor televisie. Het liefst in de comedy-hoek. In horrorverhalen ben ik niet zo goed. Dan moet je bedenken wat mensen eng vinden. Dat is voor iedereen anders.
“Over een specifieke baan heb ik nog niet nagedacht. Wat ik vooral belangrijk vind, is dat ik zelf kan beslissen wat ik ga doen.”
Facebook Twitter Whatsapp Mail