Klein geluk

Hannah en haar gastgezin in Qum Jordanië

In de media hoor en lees je altijd over de enorme verschillen tussen de westerse en Arabische cultuur. Ik vind het moeilijk voor te stellen dat deze verschillen onoverbrugbaar zijn, dus heb ik besloten om in mijn columns vanuit Jordanië niet alleen te focussen op de verschillen maar ook op de overeenkomsten. Ik denk namelijk dat de verschillen niet onverenigbaar zijn.

Als je in het buitenland zit en je wilt de mensen thuis vertellen over je belevenissen, is het makkelijk om over de oppervlakkige, ‘grote’ dingen te praten: ‘en toen gingen we daarheen, en toen aten we dat’. Maar het zijn juist de kleine dingen die voor mij de culturele verschillen en overeenkomsten kenmerken.

Ik woon nu ruim twee weken in Irbid, een stad met zo’n 250.000 inwoners in het noorden van het koninkrijk Jordanië. Mijn gastgezin woont vlak buiten de stad, in het plaatsje Qum. Geheel conform Arabische richtlijnen werd ik met open armen ontvangen en in het gezin opgenomen.

Het is een groot gezin met zeven kinderen van wie drie zonen en vier dochters tussen de 17 en 26 jaar. Hoewel ik zelf uit een relatief klein gezin kom, doen ze me toch denken aan thuis. De omgang is veel informeler dan ik van tevoren had verwacht. ’s Avonds zit het hele gezin bij elkaar met een kopje mierzoete thee en wordt er gelachen en geplaagd.

Elke dag ben ik ruim een uur onderweg om op mijn werk te komen dat 15 kilometer reizen is. Ik geef lessen in Engelse spreekvaardigheid aan studenten.

De bus nemen is op zichzelf al een cultuurshock. Je moet midden op straat wachten, tot de bus langsrijdt (in welke richting maakt niet uit) en dan zwaaien om aan te geven dat je mee wilt. Stopt de bus dan stap je in en ga je als vrouw of alleen of naast een andere vrouw zitten. Als dat niet lukt moet er een man voor je opstaan.

De chauffeur rijdt vervolgens net zo lang rondjes door het dorp tot de bus vol is, en dan pas vertrekt hij naar de stad. Eenmaal aangekomen bij de bestemming tik je op het raam zodat de bus stopt. Je geeft 0,35 Jordaanse Dinar (40 eurocent) aan de buschauffeur (gepast, anders moet je in het Arabisch gaan uitleggen dat je wisselgeld wilt) en je stapt uit. Nooit eerder in mijn leven was ik zo trots dat ik in mijn eentje succesvol de bus had genomen.

Volgens de Jordaniërs is het leven hier zwaar. Het land bestaat voor 90 procent uit woestijn. Er zijn weinig natuurlijke bronnen zoals olie en water en dus is er ook weinig werk en weinig geld. Toch lijken Jordaniërs niet ongelukkig. In mijn ogen weten ze hun geluk te putten uit de kleine dingen.

Advertentie