Anders erkennen en waarderen vraagt om een nieuw vocabulaire

Woorden die werken, dat was de titel van een mijn eerste publicaties als junioronderzoeker in 2015. Het was een klein onderzoekje naar de doorwerking van de taal van gemeentesecretarissen in hun ambtelijke organisatie. Mijn collega’s en ik stelden vast dat de manier waarop deze mensen taal en woorden geven aan discussies binnen een organisatie, grotendeels bepaalt of mensen aansluiting of verbinding met de organisatie voelen.

Ietwat later kwam ik te werken bij de universiteit. Al snel kreeg ik een beeld bij wat impliciet en expliciet gewaardeerd werd door de woorden die gebruikt werden in gesprekken over wetenschappers. Mensen die ik ontmoette, praatten over ‘onderwijslast’ en ‘vrijkopen uit onderwijs’, of over ‘excellente onderzoekers’ en ‘publicatiekanonnen’. Er was een aparte term voor hoogleraren die onderwijs leuk vonden, de ‘onderwijshoogleraar’, en mensen die bezig waren met impact hadden leuke ‘hobbyprojectjes’. Niemand had een ‘onderzoekslast’ en niemand zei dat ze ‘door al het onderzoek niet meer aan lesgeven toekwamen’. En een onderzoekshoogleraar? Dat was ‘gewoon’ een hoogleraar.  Je begrijpt, die woorden creëerden onbewust een beeld in mijn hoofd van wat een goede wetenschapper zou zijn.

De idee dat woorden en taal doorwerken in de beelden die mensen hebben van een organisatie was geen unieke vondst van mijn collega’s en ik. In de bestuurskunde zijn hele scholen wetenschappers die zich bezighouden met de doorwerking van taal in organisaties, instituties, en beleid. Een groot deel van die wetenschappers vertrekt vanuit een soortgelijke aanname: verandering in organisaties, instituties, of beleid is het resultaat van een diepgaande verandering in de taal en ideeën van de actoren die de boventoon voeren in een bepaald beleidsdebat, en die in staat zijn om andere actoren daarvan te overtuigen.

Sinds in november 2019 het position paper ‘Ruimte voor ieders talent; naar een nieuwe balans in het erkennen en waarderen van wetenschappers’ is gepubliceerd, gaat een groot deel van de gesprekken die ik zie en voer, on- en offline op, binnen en buiten de universiteit, over deze oproep om anders na te denken over het waarderen en erkennen van wetenschappers. In 2021 moet de ‘andere’ manier van erkennen en waarderen zijn ingebed in de nieuwe cao van universiteiten. Het position paper is duidelijk: het is hoog tijd om ruimte te maken voor de pluriformiteit en diversiteit van loopbanen van wetenschappers.

Nu de ambities zijn geformuleerd, er een sterke groep early adaptors is (met mensen als Belle Derks, Rianne Letschert, en Paul Boselie voorop), en het onderwerp op de agenda staat is de eerste stap naar 2021 gezet. Het position paper kunnen we zien als hét aanknopingspunt om een nieuwe taal te ontwikkelen die past bij de verschillende antwoorden op de vraag wat een goede wetenschapper is. Want universiteiten kunnen zo vaak als ze willen benadrukken dat impact en onderwijs even belangrijk zijn als onderzoek doen, zolang er woorden als onderwijscorvee blijven bestaan, zal er in het beeld dat we hebben van een goede wetenschapper weinig echt veranderen. Niet alleen is het tijd voor een nieuwe manier van erkennen en waarderen, maar ook voor een nieuw vocabulaire om daarover te praten.

Advertentie