Bevrijd wetenschappers uit neoliberale keurslijf

Body: 

Veel wetenschappers komen pas aan onderzoek toe in de avonduren of het weekend. Dat komt volgens Marco Derks door de veel te grote hoeveelheid onderwijs en bestuurlijke taken die ze opgelegd krijgen.

Veel wetenschappers komen pas aan onderzoek toe in de avonduren of het weekend. Dat komt volgens Marco Derks door de veel te grote hoeveelheid onderwijs en bestuurlijke taken die ze opgelegd krijgen.

Onlangs sprak ik een universitair docent over de werkdruk die hij ervaart door de grote hoeveelheid onderwijs en bestuurlijke taken die op zijn bordje liggen. Maar, zo vroeg ik, de hoeveelheid tijd voor de uitvoering van die taken is toch vastgelegd? Wat blijkt: voor iedere onderwijseenheid (het begeleiden van een scriptie, het geven van een module etc.) staat inderdaad een aantal uren, maar die berekening is, zoals dat ironisch heet, ‘te optimistisch’. Daar komt nog eens bij dat hij zelfs op papier al meer taken heeft dan zijn voltijdaanstelling toelaat.

Veel wijst erop dat dit eerder regel dan uitzondering is. Afhankelijk van wat je wel of niet meerekent komen veel wetenschappers wel op een uur of zestig per week. Vanuit een analytisch perspectief zou je het ontstaan van deze situatie kunnen verklaren door je de volgende theoretische situatie voor te stellen.

Stel dat wetenschappers zich goed op hun kerntaken kunnen concentreren, dat zij veertig uur per week werken en dat de eisen daarop gebaseerd zijn. De wetenschapper die dan vijf uur per week extra werkt, zou dan kunnen excelleren en daarmee diens eigen positie kunnen versterken.

Dit is feitelijk een situatie als die van de speltheorie van het prisoner’s dilemma, maar dan een situatie die zich telkens opnieuw in heviger mate voordoet. Want de meeste wetenschappers kunnen best vijf uur per week extra werken. Zo wordt 45 uur per week de norm, vervolgens 50 uur enzovoorts – en parallel gaan ook de eisen omhoog.

Maar er zijn tal van werkzaamheden die niet tot de kerntaken behoren. Hoeveel tijd zijn wetenschappers niet kwijt aan zaken als financiële administratie, het invullen van beoordelingsformulieren, evaluatieprocessen of de reorganisatie van opleidingen? Hoeveel medewerkers komen pas in de avonduren of in het weekend toe aan het doen van onderzoek?

Natuurlijk moeten wetenschappers, net als de meeste werknemers in andere sectoren, soms tijd besteden aan zaken waar ze minder plezier in hebben of die niet tot hun kerntaken behoren. Maar dit wordt wrang wanneer zij structureel overwerken en aan onderzoek alleen nog maar ‘in hun vrije tijd’ toekomen.

Extra groot is vermoedelijk de druk die medewerkers met een tijdelijk contract ervaren. Als zij een vaste aanstelling willen (of op z’n minst een volgend tijdelijk contract), dan zullen ze eerder geneigd zijn om extra (onderwijs)taken op zich te nemen. Aangezien zij relatief vaak modules voor de eerste keer geven, is de werklast hiervoor naar verhouding hoger dan voor een doorgewinterde docent.

Nog wranger is een ander effect van de toegenomen werkdruk: de meeste medewerkers hebben de tijd en de energie niet om zich te verdiepen in de culturele en bestuurlijke oorzaken van het probleem. Zo dreigt het systeem zichzelf in stand te houden. Alleen al daarom is het zo goed dat binnen Rethink UU een aantal wetenschappers zich, ondanks de eigen werkdruk, grondig in deze problematiek heeft verdiept en het debat hierover aanjaagt (zie ook de URaad).

In een opinieartikel op DUB van dit voorjaar schreef Ingrid Robeyns dat statistische gegevens over werkdruk onder Nederlandse wetenschappers ontbreken. Zij pleit daarom voor “een betrouwbaar onderzoek (…) naar het aantal gewerkte uren, ervaren werkdruk en werkdruk-gerelateerde klachten onder wetenschappers”.

Het zou goed zijn als de resultaten van een dergelijk onderzoek vertaald zouden worden in het Strategisch Plan 2016-2020 dat komende maanden wordt uitgewerkt. Want de Universiteit Utrecht kan pas een veerkrachtige organisatie zijn als het wetenschappelijk personeel uit het neoliberale keurslijf bevrijd wordt. Pas als de druk van de ketel is, kunnen wetenschappers weer met plezier hun vak beoefenen in het doen van onderzoek en het geven van onderwijs. Als je niet al je zeilen bij hoeft te zetten om je ‘eigen’ taken uit te voeren, dan komt er lucht om aandacht te hebben voor het werk van je collega’s en de studie van je studenten.

Facebook Twitter Whatsapp Mail