De arbeidsmonitor: minder is beter, juist voor Utrecht

Body: 
De concurrentie tussen universiteiten is groot. Eenwetenschappelijke onderwijsinstelling als de Universiteit Utrechtdoet er daarom alles aan om bij landelijke vergelijkingen metzusterinstellingen liever beter maar in elk geval nooit slechteruit de bus te komen. Als uit onderzoek blijkt dat de Utrechtsealumni het allemaal een tikkeltje minder doen op de arbeidsmarktdan de afgestudeerden van andere universiteiten, en dat dat teherleiden is naar de gebruikte onderzoeksmethode, dan moet diemethode dus op de helling.

Sinds 1999 zijn universiteiten verplicht een arbeidsmonitor tehouden onder haar afgestudeerden. Hierdoor ontstaat een landelijkbeeld van de positie van alumni op de arbeidsmarkt. Maar Utrechtbegon in 1997 op eigen initiatief al met een arbeidsmonitor met debedoeling de voorlichting aan nieuwe studenten te verbeteren en omhet curriculum eventueel te wijzigingen waardoor studenten beterekansen krijgen op de arbeidsmarkt. Gekozen werd voor eentelefonische enquête.

Dit jaar moesten de verkregen gegevens worden aangepast aan deuitkomsten van de schriftelijke enquêtes die de andereuniversiteiten hielden. Gevolg: Utrecht springt er op eenongunstige manier uit ten opzichte van de zusterinstellingen.Eén van de oorzaken is dat de respons op de telefonischeenquête veel hoger (60-70 procent) is dan bij eenschriftelijke (30-50 procent). Bovendien vragen de Utrechtseenquêteurs meer details.

Utrecht stapt nu over op schriftelijk enquêteren.Studentlid Jade Gündelach vroeg zich tijdens de commissieprocesondersteuning af waarom een betere onderzoeksmethode wordtingeruild voor een slechtere en waarom de andere universiteitenniet overstappen op de telefonische enquête. Het antwoord wasduidelijk. Utrecht wil niet negatief afsteken ten opzichte vanandere universiteiten en bovendien is schriftelijk enquêtereneen stuk goedkoper.

GK