De Geesteswetenschappen zijn wél in crisis

Body: 

Honoursstudenten Merith Reinders en Merel Hoveling reageren op universiteitshoogleraar Rosi Braidotti. Er is er volgens hen wel degelijk een crisis in de Geesteswetenschappen. Dat wijst de analyse van Braidotti zelf nu juist uit.

Honoursstudenten Merith Reinders en Merel Hoveling reageren op universiteitshoogleraar Rosi Braidotti. Er is er volgens hen wel degelijk een crisis in de Geesteswetenschappen. Dat wijst de analyse van Braidotti zelf nu juist uit.

Over de crisis in de Geesteswetenschappen is al veel gezegd en geschreven. Vooraanstaande Geesteswetenschappers hebben er hun mening over gegeven. De heersende opinie lijkt dat er inderdaad sprake is van een crisis. Die crisis wordt daarbij verklaard uit het krijgen van minder onderzoeksgeld dan de bètawetenschappen, het niet serieus genomen worden en het constant moeten uitleggen wat de bijdrage aan de maatschappij is. Wij zijn ook van opvatting dat er sprake is van een crisis, maar de oorzaak daarvan moet in een andere hoek gezocht worden.

Vorig jaar in april verscheen het boek ‘The posthuman’, waarin Rosi Braidotti onder andere uitlegt wat er mis is met de huidige manier waarop er binnen de ‘Humanities’ wetenschap wordt bedreven. Zij richt haar aandacht op de interne problematiek en niet op externe factoren, zoals vele andere wetenschappers doen. De problematiek waar Braidotti over spreekt richt zich vooral op de exclusiviteit van de Humanities. Deze exclusiviteit zien we op verschillende vlakken terug. We zullen dit kort toelichten en uitleggen waarom het wenselijk is om te spreken van een crisis.

In het Westen richten de Humanities zich hoofdzakelijk op de studie van de geschiedenis van de westerse beschaving en van de grote geschriften die daarbij horen. Buiten het Westen kijken of met een niet-westers perspectief analyseren wordt op de westerse universiteiten zelden geleerd.(1) Het blikveld van de Humanities is dus te sterk naar binnen gericht. Dit is het gevolg van het methodologisch nationalisme, oftewel het enkel bestuderen van de nationalistische uitingen en - geschiedenis. De universiteit en haar onderzoek dienen als verdediging van het nationalisme en hier ligt het accent dan ook volledig op. Het methodologisch nationalisme kan echter niet de enige rechtvaardiging zijn voor de Humanities. De universiteit zou haar blikveld moeten gaan verbreden en vanuit de discipline de mensheid moeten analyseren in plaats vanuit de eigen natie.

Ten tweede is de exclusiviteit terug te zien in het feit dat er nog steeds geen ruimte is voor de klassieke variabelen ras, geslacht en klasse.(2) Er is op geen enkel niveau sprake van diversiteit. Dit zien we bijvoorbeeld op onze eigen universiteit. Wat betreft vrouwelijke docenten op de Universiteit Utrecht bedroeg het percentage in 2007 15 procent. Hiermee zit de Universiteit Utrecht boven het landelijke gemiddelde van 10 procent. Dit lijkt op het eerste gezicht een erg goede statistiek voor de universiteit, maar kijkend naar de harde cijfers is 15 procent ontzettend laag. Vooral als men in acht neemt dat het aantal vrouwelijke studenten in Nederland sinds 2006 hoger is dan het aantal mannelijke studenten. Ook wat betreft ras scoort de Universiteit Utrecht en de faculteit van de Geesteswetenschappen laag. De statistieken laten zien dat het percentage niet-westerse allochtonen op de universiteit op 8 procent ligt en de Geesteswetenschappen daar met 6 procent net onder zit. Voor de Humanities vormt dit gebrek aan diversiteit een groot probleem, omdat het vakgebied zich juist vaak bezighoudt met culturele identiteit. De Humanities zijn niet in staat om aan de hand van een breder perspectief onderzoek te doen, als er binnen de faculteit geen sprake is van diversiteit.

Het methodologisch nationalisme en het gebrek aan ruimte voor de eerder genoemde klassieke variabelen vormen volgens ons de kern van de crisis in de Geesteswetenschappen. We bedrijven wetenschap met een té westerse bril op, waardoor we ons in een intercontinentale wereld uiteindelijk niet meer staande zullen kunnen houden als er niets veranderd. Om die reden is het noodzakelijk dat we erkennen dat er een crisis is.

Wetenschappers als Geoffrey Harpham(3), Rosi Braidotti en vele anderen zijn van opvatting dat er wat mis is met de Humanities. Braidotti noemt dit echter geen crisis. Wij zijn van mening dat de problematiek die Braidotti beschrijft juist een goede uitleg is van de crisis. De bijkomende problemen, zoals het krijgen van (te) weinig onderzoeksgeld, zijn gevolgen van de problematiek van de exclusiviteit. Door het zwaartepunt van de ‘crisis’ te verleggen van de externe factoren naar de interne problemen wordt de crisis in de Humanities in een nieuw daglicht gezet. Geesteswetenschappers worden zo in staat gesteld om zelf de crisis aan te pakken in plaats van te blijven wijzen naar factoren waar ze geen directe invloed op kunnen uitoefenen. Erkenning van de crisis binnen de wetenschappen kan zo bijdragen aan een oplossing.  

(1)   R. Braidotti, hoorcollege Beyond the Humanities, Humanities College, 31 oktober 2013.
(2)   Braidotti, Posthuman, 15, 25 en 27.  
(3)   G. Harpham, ‘Beneath and beyond the “Crisis in the Humanities”’ New Literary History 36 (2005). Over Humanities College

*Beide auteurs nemen dit jaar deel aan het Humanities College. Het honoursprogramma voor studenten Geesteswetenschappen richt zich op het beschikbaar en toegankelijk maken van wetenschappelijke kennis voor een groter publiek. Vanaf dit jaar is er een nieuw driejarig programma gestart. Meer informatie is hier te vinden.

Facebook Twitter Whatsapp Mail