Zeggenschap aan universiteit is niet goed geregeld

Body: 

Studenten en medewerkers moeten zelf hun instellingen kunnen besturen, zegt hoogleraar Ethiek Marcus Düwell. Waarom geven we de universiteiten geen senaat?

Studenten en medewerkers moeten zelf hun instellingen kunnen besturen, zegt hoogleraar Ethiek Marcus Düwell. Waarom geven we de universiteiten geen senaat?

Naar aanleiding van de gebeurtenissen aan de UvA kwam in de afgelopen weken de bestuursvorm van de universiteit op de agenda te staan, met name de medezeggenschap. Is het een goed idee om universiteiten zo in te richten zoals dat nu het geval is? Bestuurders worden benoemd, besluitvorming vindt plaats tussen de bestuurders en medezeggenschap is niet veel meer dan een wat luxe klankbordgroep. Veel studenten en medewerkers lijken het gevoel te hebben dat op deze manier de besluitvorming buiten hen om plaatsvindt.

In dit stuk zal ik pleiten voor een kijk op het besturen van de universiteit waarin gremia die de leden van de universiteit vertegenwoordigen een bindende rol spelen. Deze rol kan niet worden vervangen door allerlei informele en vrijblijvende discussiebijeenkomsten, maar zou in de structuur van het universitair bestuur verankerd moeten zijn.

De vorst kan luisteren naar zijn adviseurs, maar hoeft dat niet
Door het top-down-model van benoeming van bestuurders van bovenaf worden beleidsprocessen sterk bepaald door het ambtelijk apparaat. Dat toont niet altijd begrip voor onderzoek en onderwijs. Uniforme en meestal zeer bureaucratische beleidsprocedures en maatregelen zorgen ervoor dat verschuivingen plaatsvinden van het primaire proces (onderwijs en onderzoek) naar secundaire en tertiaire processen (kwaliteitsbewaking, toezicht, evaluatie enzovoort). Deze trend is al vaak geconstateerd en veel bestuurders proberen om tegenwicht te bieden.

Steeds vaker wordt getracht om de top-down-beweging tegen te gaan door het organiseren van bottom-up-procedures. Het bestuur wil inbreng hebben van de werkvloer en wil draagvlak creëren. Op alle niveaus worden bijeenkomsten georganiseerd: overleg met docenten, studenten, inloopdagen van verschillende grootte, brainstormsessies, enzovoort. Maar dit soort bijeenkomsten hebben geen enkele structurele status. Bestuurders kunnen met de inbreng doen wat zij willen; de vorst kan luisteren naar zijn adviseurs maar hij hoeft dat niet. Hoe meer informele inbreng je vraagt, hoe meer mensen hun mening geven, des te meer mogelijkheden hebben de bestuurders om daarna te doen wat zij willen – men kan bestuurlijke keuzes immers rechtvaardigen door erop te wijzen dat iedereen gehoord is.

Vanuit de medewerkers en studenten beschouwd worden beleidsprocessen vaak als top-down ervaren. Mensen krijgen de indruk dat ze alleen maar gevraagd worden om ‘draagvlak te creëren’ voor beslissingen die al vaststaan, of dat ze alleen maar binnen zeer nauwe grenzen richting mogen geven aan beleid. Dat heeft frustratie maar ook lethargie als gevolg. Mensen voelen zich maar in zeer beperkte mate actoren die mede vormgeven aan de richting waartoe zich de universiteit ontwikkelt. Dat zorgt er tegelijk voor dat debatten onnodig antagonistisch verlopen én dat de bedachtzame personen die men eigenlijk graag in zo’n discussie zou willen hebben niet participeren omdat ze menen dat het toch niet uitmaakt.

Universiteit is geen instituut dat 'targets' moet halen
Voor een universiteit is dit nog problematischer dan voor sommige andere organisaties, want de universiteit is een zeer eigenaardig instituut. Een universiteit is een levensruimte voor zeer creatieve, intellectuele en eigenwijze mensen; studenten leven er meestal wat korter, wetenschappers meestal hun hele leven. Het belangrijkste kapitaal van de universiteit is juist de creativiteit, het kritische vermogen en het eigenwijze en onvoorspelbare karakter van deze onderzoekers en studenten. De academie is geen organisatie die vooraf geformuleerde doelen realiseert; ze kan niet begrepen worden als instituut dat bepaalde ‘targets’ moet halen. Universiteiten hebben als taak dingen te denken die er nog niet gedacht zijn, de wereld anders te interpreteren dan eerder gebeurd is, technologieën uit te vinden die nog niet bestaan, nieuwe feiten bloot te leggen, enzovoort.

Juist in de afgelopen jaren werd de noodzaak van innovatie en vernieuwing keer op keer benadrukt. De interne dynamiek van de universiteit zou zo geïnstitutionaliseerd moeten worden dat het onvoorstelbare mogelijk gemaakt wordt. De universiteit goed te organiseren is van vitaal belang. Meestal levert dit op korte termijn niet veel op, maar het is de sleutel voor de toekomst. Het frustreren van de meest creatieve mensen (studenten en wetenschappers) is gevaarlijk.

In dit licht is het belangrijk dat academici zelf vorm kunnen geven aan de universiteit, natuurlijk binnen de grenzen van haar opdracht als organisatie die bepaalde relaties en verantwoordelijkheden heeft ten opzichte van de maatschappij, de overheid, en het bedrijfsleven. Dat zou echter niet de vorm van informele deliberatie moeten hebben, maar de institutioneel gestructureerde vorm van ‘collegiaal bestuur’. Informele bijeenkomsten en formats kunnen collegiaal bestuur aanvullen maar niet vervangen. De visie op het bestuur zou er een moeten zijn waarin de gremia die de leden van de universiteit (op facultair en universitair niveau) vertegenwoordigen, die gremia zijn die een centrale rol vervullen in de vorming van de koers van de faculteit/universiteit.

Als de structuur van de universiteit vertegenwoordiging van hun leden in de gremia serieus zou organiseren, dan zouden de leden niet als informele adviseurs worden gezien maar als collegiale medebestuurders. Het zou dan niet in de discretionaire bevoegdheid van de bestuurders liggen om te kiezen of zij de mening van de vertegenwoordigers van de leden van de universiteit wel of niet serieus gaan nemen, maar het zou in de structuur van de universiteit zelf besloten liggen dat deze meningen een rol van betekenis spelen. Vertegenwoordiging betekent dat de representant in de politieke ruimte de rol invult van diegene die hem de opdracht tot representatie heeft gegeven; het zouden dus de leden van de universiteit zelf zijn die zichzelf besturen. De universitaire gemeenschap wordt het orgaan dat zichzelf een vorm geeft.

De universiteit heeft een openbare ruimte nodig waarin openlijk over alternatieve visies op de universiteit wordt gediscussieerd. Het gaat er niet om dat iedereen iets mag roepen maar dat deze vorm van meningsvorming ingebed is in de bindende structuur van meningsvorming in de gremia van de universiteit. Als universiteiten centrale instituties zijn bij het ontwikkelen van een open samenleving dan zou de universiteit ook de ruimte moeten zijn waarin deze open samenleving vorm krijgt.

De geschiedenis gaat zich niet herhalen
Mensen met historisch geheugen zullen zeggen: dat hadden wij al. Nog in de jaren negentig van het vorige eeuw bestond het besturen van een universiteit voor een belangrijk deel uit urenlange vergaderingen van hoogleraren die het als een aanfluiting beschouwden dat ze überhaupt met de studenten moesten praten en van studentenvertegenwoordigers die al hun energie inzetten om de gaten in het reglement te benutten om beslissingen naar hun hand te zetten. Aan Duitse universiteiten heb ik nog aan gesprekken mogen deelnemen waar hoogleraren zich als onafhankelijke staatshoofden leken te beschouwen en waar vergaderingen op diplomatieke onderhandelingen van de Europese top van regeringsleiders leken.

Dit alles zou vandaag de dag niet functioneel te zijn, want de huidige universiteit is een complex managementbedrijf geworden dat slagvaardig op uitdagingen moet reageren. Tijd is cruciaal en effectiviteit van bestuur is beslissend voor de positie van een universiteit. Vergaderingen die uit de hand lopen of impasses vanwege complexe besluitvorming kunnen desastreus zijn voor een universiteit.

Maar ik ben helemaal niet bang dat door een meer bindende vorm van zeggenschap de oude structuren zouden herleven. Tussen de extremen, de debatcultuur van de jaren zeventig en de bestuurlijke setting van de huidige universiteit, ligt nog een heel spectrum van andere mogelijkheden. Het zou juist effectiever kunnen zijn als besluitvormingsprocessen in slechts enkele, maar weliswaar belangrijke gremia gestroomlijnd worden. Wetenschappers zijn vandaag de dag veel sterker getraind in managementtaken dan vroeger het geval was. Wetenschappers moeten strategisch denken, bestuurlijke expertise is dus nu al op grote schaal reeds in huis – waarom hier niet gebruik van maken door juist de combinatie van gedegen onderzoekers en ervaren bestuurders een belangrijker rol te geven in de universitaire zeggenschap?

Waar zijn we bang voor?
Het zou de kwaliteit van besluiten ten goede kunnen komen als openlijk geargumenteerd moet worden over de koers van de universiteit; als hierover ruzie wordt gemaakt, en dit in een open forum wordt uitgedragen – waarom geven wij de universiteit geen senaat? Er zijn meerdere antwoorden denkbaar:

Het zou kunnen dat wij van mening zijn dat de moderne professionele managementuniversiteit gewoon te complex is, en het geen goed idee is nog meer mensen al hun tijd aan besturen te laten besteden. Men zou zich kunnen afvragen of het wel de meest effectieve manier van besturen is als men dit in grotere gremia doet. Maar zou het er niet ook toe kunnen leiden dat men deze gremia serieuzer neemt en effectiever gaat vergaderen? Effectiviteit neemt vaak toe naarmate het debat belangrijker wordt. Dus dit kan geen tegenargument zijn.

Het zou ook kunnen zijn dat wij geen vertrouwen hebben in het succes van collegiale besluitvorming. Dat zou pas echt erg zijn. Als wetenschappers die de taak hebben creatieve en kritische mensen voor te bereiden op een centrale maatschappelijke rol en studenten die op weg zijn om zo’n rol te vervullen samen niet in staat zijn om aan een bestuur van de universiteit te werken dan zou de universiteit gewoon niet in staat zijn om haar taak te vervullen.

Ik zie dus geen reden om te denken dat het institutionaliseren van sterkere zeggenschap door vertegenwoordigers van de leden van de universiteit een slecht idee is. Deze vertegenwoordigers moeten op basis van voldoende informatie de ruimte hebben om samen over de koers van de universiteit bindende uitspraken te doen. Het is daarbij natuurlijk belangrijk dat sleutelfiguren uit de universiteit in deze gremia terechtkomen.

Liever geen student-assessor maar wél een gekozen rector
Afsluitend twee commentaren over concrete voorstellen die nu ter discussie staan. Ten eerste: hoe zinnig is het dat een student in het CvB zit? Zelfs ervaren bestuurders hebben moeite om aan het begin van hun termijn in het CvB goed te kunnen functioneren – het is gewoon een erg hoog niveau van besturen. Een student zal dusdanige achterstand aan informatie hebben dat ik niet goed zie hoe dit effectief zou kunnen zijn, en op een minder effectief CvB zit niemand te wachten. Sterke medezeggenschapsgremia zullen voor studenten duidelijk meer mogelijkheden van invloed bieden omdat ze binnen een collegiale structuur veel meer kansen hebben om geïnformeerd invloed uit te oefenen.

De gekozen rector daarentegen lijkt mij een goed idee. Waarom niet meer spanningen in het systeem inbouwen? Een raad van toezicht kiest een president die bewust van buiten de universiteit komt en een expliciete verantwoordelijkheid heeft voor de kijk van buiten, de rector daarentegen wordt gekozen door de vertegenwoordigers van de leden van de universiteit. Er mogen ook wat mij betreft best meerdere kandidaten zijn, en die mogen ook best voor verschillende visies van een goede universiteit staan. De attractiviteit van de U-Raad en de discussiecultuur in de universiteit zal dat alleen maar ten goede komen. Wij zouden best meer vertrouwen in onszelf kunnen hebben, en ook in de kansen die meer democratie zou kunnen bieden.

Facebook Twitter Whatsapp Mail