Cursusevaluaties: ‘Ze zijn anoniem, je kunt je niet verdedigen’ (deel 2)

Afschaffen, een overschat fenomeen, onzinnig en arbitrair, een populariteitspool, nauwelijks informatief… We hielden een enquête onder docenten over de evaluaties van hun onderwijs en de antwoorden liegen er niet om. Enthousiaste reacties krijgen we ook (“Prima”), maar die klinken toch minder vurig.

Vrijwel alle opleidingen in het hoger onderwijs willen weten wat studenten van hun onderwijs vinden: was de docent deskundig, gaf hij/zij goed les, was de organisatie op orde? Het is misschien een nobel streven om studenten naar hun mening te vragen, maar veel docenten hebben er problemen mee.

En dan hebben we het niet eens zozeer over de scheldkanonnades waar docenten weleens mee geconfronteerd worden, of de kritiek op hun kledingstijl. Het gaat om het systeem zelf. De meeste docenten hebben niet het gevoel dat de huidige evaluaties zinvol zijn. Dit tweede verhaal gaat over de kritiek, het derde over de oplossingen. Het eerste verhaal gaat over de enquête die ten grondslag ligt aan deze verhalen.

Engels met Nederlands accent wordt afgestraft op UCU
Een voorbeeld van de kritiek die docenten krijgen? Opleidingen vragen soms naar het Engels van hun docenten. “Wie een Nederlands accent heeft, wordt daar hard op afgerekend – zelfs als hij verder foutloos Engels spreekt”, zegt universitair docent Floris van der Burg van de Universiteit Utrecht. “Maar een collega uit Italië krijgt juist lof toegezwaaid omdat hij zo’n leuk accent heeft. Wat heb je daar dan aan?”

Van der Burg heeft niet de domste studenten in de collegezaal. Hij geeft les aan University College Utrecht, een kleinschalige opleiding die studenten selecteert op talent en motivatie. Hij heeft grote moeite met de evaluaties. “Meestal ben ik enorm geïrriteerd als ik ze zit te lezen. Ik ben hoofd van de afdeling filosofie, dus ik lees de oordelen over mijn collega’s. Soms gaat het over een treinkaartje voor een excursie. Of studenten vinden het niet terecht dat ze een onvoldoende halen terwijl ze helemaal niet naar college zijn geweest en geen boeken hebben gelezen.”

Er zijn veel van zulke verhalen. “Wij horen vaak kritiek op anonieme docentevaluaties”, zegt Marijtje Jongsma van Vawo, vakbond voor de wetenschap. Zelf is ze universitair hoofddocent aan de Radboud Universiteit Nijmegen. “Soms vullen studenten die enquêtes in met een brak hoofd na een avond stappen, met wat losse opmerkingen, en die krijg je dan zomaar op je bord. Het is ziekmakend, ik heb er echt docenten op onderuit zien gaan. Die enquêtes zijn anoniem, je kunt je niet verdedigen. Ik vind het bizar, ik vraag me af of dit de onderwijskwaliteit ten goede komt.”

Treurig stemmende beoordelingen
Ook opleider en hbo-docent René van Kralingen, die aan allerlei hogescholen trainingen geeft, heeft hartgrondig kritiek op de evaluaties. “Studenten moeten reageren op stellingen als ‘de docent is enthousiast, de docent is inspirerend, de docent organiseert het onderwijs goed’. Je zult als docent, vlak voor de les, maar net een kapotte printer treffen en je hand-outs niet kunnen uitdraaien. Of je moet inspirerend lesgeven in een veel te warm gebouw. Daar kun je bar weinig aan doen, maar je merkt het wel in de evaluaties. Of stel, je geeft statistiek aan studenten die nog nauwelijks uit de puberteit zijn. Hallo, statistiek! Zeker bij moeilijke vakken is het soms zo treurig om die evaluaties te lezen. Studenten hebben steeds meer invloed gekregen en roepen soms iets te makkelijk dat dit-of-dat niet klopt. Dan denk ik weleens: nú moet je even je mond houden.”

Door de jaren heen vlamt zulke kritiek af en toe op, al was het maar in columns. Om erachter te komen hoe breed gedragen de kritiek is, hebben we een enquête gehouden. We kregen bijna driehonderd reacties. De uitkomst is interessant: docenten blijken wel kritisch, maar niet cynisch over de docentevaluaties.

Zijn de evaluaties zinvol, vroegen we. Meer dan de helft van alle docenten zegt dat ze op een andere manier zinvol kunnen zijn. Dertig procent is nu al tevreden met de gang van zaken. Ruim één op de zes (17,6 procent) wil de evaluaties liefst afschaffen.

Met een 3,2 mag je geen les meer geven aan UCU
Velen storen zich vooral aan de gevolgen van de enquêtes voor de carrière van docenten. Een derde van de respondenten heeft het gevoel dat hun baan ervan afhangt, vooral als ze nog maar net in het onderwijs beginnen. Of misschien verliezen ze hun baan niet, maar maken ze geen promotie.

Dat gevoel lijkt niet uit de lucht gegrepen. “Hier bij UCU moet je in de evaluaties van je cursus minimaal een vier scoren op een vijfpuntsschaal”, vertelt docent Van der Burg die al eerder in DUB kritiek uitte op de cursusevaluatie. “Vroeger was dat nog een 3,5. Als een student weinig doet en een laag cijfer krijgt, dan geeft hij een slechte beoordeling en dat beschadigt dan de cursus, of nee: dat beschadigt de docent. Het management kijkt niet naar de open vragen, maar naar de gemiddelde score. Als een docent hier voor het eerst werkt en een 3,2 haalt, omdat een paar studenten vonden dat ze te hard moesten werken, dan kun je er vergif op innemen dat zo’n docent niet terugkomt.” Die verliest heus niet meteen zijn baan aan de Universiteit Utrecht, voegt Van der Burg eraan toe, maar die docent mag dus geen les meer geven aan het UCU.

“We zouden de opleidingsmanagers eens moeten evalueren”, schampert ook hbo-docent Van Kralingen. “Sommigen hebben zelf nooit lesgegeven en slaan docenten met papieren evaluatie-uitkomsten om de oren, zonder na te denken over de consequenties, en dan moeten docenten zich maar zien te verdedigen. Opleidingsmanagers vergeten ook naar de vlieguren van docenten te kijken: als piloten voor de eerste keer in een Boeing 747 vliegen, kun je ze toch niet met evaluatiescores om de oren slaan?”

Respons gedaald van 80 naar 30 procent
Iets bedachtzamer reageert onderzoeker Christine Teelken van de Vrije Universiteit, die het gebruik van onderwijsevaluaties heeft bestudeerd. Docenten hebben een zekere autonomie, maar hebben ook bestuurders boven zich; Teelken is geïnteresseerd in de verhouding tussen vrijheid en bestuur, en daarin spelen de evaluaties een rol. Sterker nog, ze zijn steeds belangrijker geworden.

Teelken: “Een jaar of tien geleden deelde de docent soms wat formulieren uit en dat was het dan. De laatste vijf jaar is dat enorm veranderd, doordat die evaluaties nu allemaal online gaan. Alles wordt nu systematisch in de gaten gehouden, en de uitkomsten worden rechtstreeks doorgestuurd naar docenten en coördinatoren. Alleen vullen steeds minder studenten de evaluaties in. De respons is gedaald van tachtig naar dertig procent. En wie houd je dan over? Mensen die heel ontevreden zijn. Die vullen de evaluatie wel in.”

Het probleem is dat onderwijskwaliteit niet helemaal samenvalt met de belevenis van de student op het moment zelf. “Dat is wat mij het meest aansprak uit de bevindingen van mijn onderzoek”, zegt Teelken. “Volgens docenten is de toegevoegde waarde van het onderwijs gewoon niet zomaar meetbaar. Die blijkt vaak jaren later, als studenten zich opeens realiseren wat ze aan een cursus hebben gehad. Zeker bij de taaie vakken hebben ze dat op het moment zelf niet altijd door. De relatie tussen evaluaties en kwaliteit is gewoon zwak.”

Evalueren voor visitatiecircus
Volgens Teelken tuigen opleidingen de systemen van evaluaties vooral op vanwege “het visitatiecircus”. Eens in de zes jaar moeten opleidingen aan een commissie van buitenstaanders laten zien dat ze grip hebben op de kwaliteit van het onderwijs, zodat ze weer geaccrediteerd worden door kwaliteitsbewaker NVAO. “Er wordt alles aan gedaan om die commissie te vriend te houden. En zo’n commissie kijkt niet zozeer naar de tevredenheid van studenten, maar naar de systematiek van de kwaliteitscontrole.”

Teelken maakt een onderscheid tussen de primaire feedbackloop (studenten hebben terechte kritiek, de docent past volgende keer iets aan) en de secundaire feedbackloop (de organisatie checkt of de docent het onderwijs heeft aangepast). “Die tweede feedbackloop wordt door die visitaties steeds belangrijker en perkt de autonomie in. De werkdruk ligt al hoog, dus docenten gaan niet protesteren. Ze denken: het moet dan maar.”

Kortom, de evaluaties zeggen niet alles en veel docenten zijn bang dat hun baan ervan afhangt – vooral als ze net beginnen. Maar waarom zijn die evaluaties er dan? Omdat je ze ook zinnig kunt gebruiken. Sterker nog, rector magnificus Henk Kummeling van de Universiteit Utrecht kan nauwelijks geloven dat iemand van zijn eigen universiteit felle kritiek heeft op het gebruik van de docentevaluaties. “Ik herken wel de klassieke vraag: wat hebben we aan die evaluaties? Maar ik ken geen reacties als ‘houd er maar mee op’.”

Studenten zijn niet de ultieme kwaliteitsbeoordelaars
Niemand verliest zijn baan door een paar evaluaties, verzekert Kummeling. “Ik wil niet zeggen dat we de evaluaties met een korreltje zout moeten nemen, maar we moeten ze wel in perspectief plaatsen. Het kan niet zo zijn dat het contract van een docent louter op basis van onderwijsevaluaties wordt beëindigd. Het is hooguit een deel van het totaalpakket. De evaluaties horen gewoon bij een gezonde kwaliteitscultuur, waarin we ons afvragen: hebben we onze spullen op orde, hoe gaat het met de cursus, zijn we op de goede weg. Als er een afrekencultuur ontstaat op basis van evaluaties, dan moet je meteen de stekker eruit trekken. Daar zijn de evaluaties niet voor bedoeld en het kan ook helemaal niet. Hij zou daarom “heel verbaasd opkijken” als er zo’n reactie uit een Utrechtse opleiding zou komen. “Dan zouden we meteen in beweging komen en in gesprek gaan met de desbetreffende decaan. Studenten zijn niet de ultieme kwaliteitsbeoordelaars. Ze kunnen ook niet beoordelen of iemand echt deskundig is of niet.”

Zo denkt ook collegevoorzitter Kees Boele van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen erover. Hij vindt evaluaties héél belangrijk, vertelt hij. “Als docent heb je onwillekeurig toch de neiging om je eigen koninkrijkje te vestigen. Evaluaties zijn niet altijd leuk, maar ze zijn belangrijk om je scherp te houden. En ik wil best opbiechten dat ik daar zelf pas achter kwam toen ik in het bedrijfsleven werkte. Eén van de partners in het bedrijf zei tegen me: ‘Kees, je bent goed in je werk’ – ik begon al te stralen – ‘maar je bent niet professioneel.’ Hij verweet me dat ik nooit om feedback vroeg. Het was een harde les, ik voel nog steeds de knauw in mijn maag van toen, maar sindsdien is evalueren voor mij vaste prik geworden.”

Cursusevaluatie moet maatwerk zijn
Kummeling en Boele krijgen bijval van iemand die zijn brood verdient met onder meer evaluaties van het onderwijs: Paul de Weger van het bedrijf Amplixs. Volgens hem kunnen de evaluaties heel zinnig zijn. “We zijn vijf jaar geleden begonnen voor de Hogeschool Utrecht en we werken nu onder meer voor de Hogeschool van Amsterdam en de Business School Nederland. Wij hebben een pakket van verschillende vragenlijsten, waaruit de instellingen kunnen kiezen. Ze kunnen bijvoorbeeld inzoomen op de bevlogenheid van docenten, hun deskundigheid of een ander thema. En er kijkt altijd een methodoloog mee: waar zijn we naar op zoek en stellen we de juiste vragen? Vragen we het aan eerstejaars of afstudeerders?”

Het moet maatwerk zijn, vindt De Weger, en je moet ook niet denken dat een evaluatie helemaal neutraal is. “We zijn ons er terdege van bewust dat er emotie van de student achter zit, maar daar gaat het juist om. Als de docenten goed beoordeeld worden, zijn de cijfers van de studenten vaak ook hoger, want dan vinden ze het een leuk vak. Dus ja, er zit zeker een bias in. Maar laten we wel wezen, ook met een foute weegschaal kun je een trend waarnemen. Als mijn weegschaal drie kilo te veel aangeeft, of drie kilo te weinig, kan ik alsnog zien of ik ben aangekomen of afgevallen.”

Dat veronderstelt wel enige precisie in het oordeel. Kan een student eigenlijk wel iets zeggen over bijvoorbeeld de deskundigheid van zijn docent? Daar weet hij toch niets van? “Dat is zo”, erkent De Weger. “Tegelijkertijd kun je best beoordelen of iets lekker is of niet als je een keer uit eten gaat – zelfs als je nog nooit in een sterrenrestaurant hebt gegeten of gewerkt.”

De Weger begrijpt de kritiek dat de evaluaties vooral een wapen in handen van het management zijn. “Dat vind ik een volstrekt valide tegenwerping. Het moet ook niet voor personeelsbeleid gebruikt worden, de uitkomsten moeten een indicatie zijn van de kwaliteit.” En daarin kunnen ze echt iets bijdragen, vindt hij. “Feit is dat onderwijsinstellingen redelijk logge schepen zijn. Mensen met veranderingsdrang lopen in het onderwijs altijd tegen een muur op. De evaluaties kunnen dan helpen, want die geven inzicht in wat er leeft. Laat het misschien niet de zuiverste methodiek zijn, het geeft wel een indicatie.”

Studentenbonden onderstrepen de goede kanten van evaluatie
Hoe kijken studenten er zelf tegenaan? Hun vertegenwoordigers in het Interstedelijk Studenten Overleg en de Landelijke Studentenvakbond zien weinig problemen en onderstrepen liever de goede kanten van de evaluaties. Neem dat eerste voorbeeld van de docent die kritiek krijgt op zijn Nederlandse accent in zijn Engels, terwijl het Italiaanse accent heel anders wordt gewaardeerd. “Ik kan me voorstellen dat sommige mensen dat arbitrair vinden”, zegt LSVb-bestuurslid John van Harten, “maar misschien zeggen die studenten wel: ik ben niet in staat de colleges te volgen omdat het accent zo erg afleidt. Dan is dat ook de realiteit.”

Zo denkt ook het ISO erover. “Onze achterban waardeert die evaluaties enorm”, zegt bestuurslid Luc Rullens. “We begrijpen de zorgen van de docent, maar zien wel heel erg de waarde ervan. Managers zouden moeten kijken wat het gemiddelde is en wat de uitschieters zijn.”

En de persoonlijke beledigingen en de afrekencultuur die hier en daar lijkt te ontstaan? Docenten moeten gewoon een olifantshuid kweken. “Ik ken ook voorbeelden van studenten die belachelijke dingen schrijven, soms zelfs schelden”, zegt LSVb’er Van Harten. “Dat hoort niet, maar daar hoef je als docent natuurlijk niets mee te doen.”

Ook rector Kummeling ligt er niet wakker van. “In de open vragen zullen soms buitengewoon ongenuanceerde, losse opmerkingen worden gemaakt over de docent, over het uiterlijk of wat dan ook, maar dat zijn dingen die je niet serieus hoeft te nemen”, vindt hij. “Het is nooit prettig, maar je werkt in een professionele organisatie. Het is misschien een teken des tijds dat mensen, zodra ze anoniem zijn, lelijke dingen zeggen. Het komt misschien wel hard aan, maar het moet voor die docenten uiteindelijk niet relevant zijn.”

Toch meent de meerderheid van de docenten dat de evaluaties op een andere manier zinnig zouden zijn. Ze pleiten dus voor verandering, maar hoe moet het dan? Daarover gaat het derde en laatste deel van de verhalen over cursusevaluaties.

Door naar deel 3: Cursusevaluaties: negen ideeën ter verbetering
Enquete lezen? Veel kritiek op cursusevaluaties

De drie verhalen over cursusevaluaties zijn mede tot stand gekomen dankzij een Werkbeurs onderwijsjournalistiek van stichting Onderwijsfonds Cocma en zijn geschreven door Bas Balleman en Irene Schoenmacker van het Hoger Onderwijs Persbureau.

Advertentie