'Oude rot' Jenny Goldschmidt en 'jonge hond' Marie Elske Gispen: 'Onze verstandhouding is spannend'.

Ethische dilemma’s houden promotor en promovenda scherp

Body: 

Gispen is nog piepjong; haar promotor Goldschmidt is al met emeritaat. Maar als de juristes raakvlakken vinden in hun beider onderzoek, zijn ze gelijken. Een dubbelinterview over een carrière in de wetenschap.

Toen ‘oude rot’ Jenny Goldschmidt (64) zo oud was als de 28-jarige ‘jonge hond’ Marie Elske Gispen, had ze net haar tweede kind. Goldschmidt behoorde destijds, in de jaren zeventig, tot de eerste generatie vrouwen die het kroost naar een kinderdagverblijf bracht. “Omdat ik doof was, had ik het idee dat ik niet kon stoppen met werken. Wat moest ik zeggen als ik na een paar jaar weer aan het werk wilde? ‘Ik ben doof en heb twee kleine kinderen. Heb je een baan voor me?’ Dat kon je toen echt wel vergeten.”

Dankzij haar doofheid werkte Goldschmidt zich door het glazen plafond, stelt ze tijdens het interview voor het laatste deel van de vierdelige portretserie ‘Jonge honden, oude rotten’. Anno 2015 is dat plafond volgens de emeritus hoogleraar Rechten van de mens nog steeds aanwezig. “Het aantal vrouwelijke hoogleraren is schrikbarend laag vergeleken met het aantal vrouwen in de laag daaronder.”

Marie Elske Gispen ervaart daar weinig van. Zij ziet een veel groter probleem. “Voor mensen van mijn leeftijd is het ongelooflijk moeilijk om een vaste positie op de arbeidsmarkt te krijgen. Wij moeten eraan wennen dat wij ons leven moeten opbouwen rondom flexibele arbeidsaanstellingen, terwijl we misschien ook wel een huis willen kopen of een gezin willen stichten.”

Een spannende en minder hiërarchische verstandhouding
Gispen nam het onderwerp van haar masterscriptie mee naar haar promotieonderzoek. Hoewel mensenrechtenonderzoeker Goldschmidt toen tweede lezer was en nu haar promotor is, weet zij inhoudelijk maar weinig over het spanningsveld tussen de toegang tot medicijnen en het internationale drugscontroleregime. “In tegenstelling tot bij bètawetenschappen, waar de promovendus vaak bezig is met een deelonderwerp van het onderzoek van de promotor, zijn mijn promovendi allemaal op heel verschillende terreinen bezig”, constateert Goldschmidt.

Gispen: “Jenny weet niet alle details van mijn onderzoek, maar ze stelt vragen als: ‘Hoe werkt het recht in dit geval? Kun je het vergelijken met een ander onderwerp binnen of buiten het recht?’ Dat maakt onze verstandhouding spannend en misschien ook wat minder hiërarchisch - in de begeleiding althans.”

Wanneer de onderzoekers raakvlakken in hun werk ontdekken, dan inspireert dat. Goldschmidt: “Via Marie Elskes onderzoek werd ik geconfronteerd met een ethisch aspect van de inbreng van patiënten bij geneesmiddelenontwikkeling. Mag je mensen die vreselijke pijn hebben een pijnbestrijder laten gebruiken waarvan de risico’s over bijvoorbeeld vijf jaar nog niet bekend zijn?

“Binnen het Gehandicaptenverdrag, waar ik veel onderzoek naar doe, is participatie van gehandicapten bij wat er voor hen wordt ontwikkeld een hot issue. Het gaat daarbij ook over autonomie: zelf kunnen bepalen waarvoor je kiest. Stel dat een dwerg veel geld verdient met dwergwerpen, mogen wij dan zeggen dat zijn keuze in strijd is met de menselijke waardigheid? Het onderzoek van Marie Elske bood voor mij een nieuwe invalshoek, die interessante vragen opleverde voor mijn eigen onderzoek.”

 
 
Goldschmidt over Gispen:
“Marie Elske weet heel goed wat ze wil en kan. Ze blinkt uit in verbindingen leggen tussen verschillende wetenschappelijke aspecten van haar onderwerp en werkt heel gestructureerd en professioneel. Een mogelijk gevaar is dat ze wat te perfectionistisch kan zijn en te lang op iets wil doorgaan, al neemt dit wat af. Marie Elske is erg direct en kan nu leren daar tactischer mee om te gaan tijdens haar veldwerk in landen met andere culturen. Zelf vind ik het prettig dat ze zo rechtdoorzee is, maar anderen zie ik weleens de wenkbrauwen fronzen.”
Gispen over Goldschmidt:
“Op Jenny kun je rekenen. Ze is heel betrokken, zowel professioneel als persoonlijk. Zit je in haar ‘team’, dan gaat ze voor je door het vuur – ongeacht het probleem. Als promovendus is het niet altijd even makkelijk om jezelf staande te houden, Jenny voelt feilloos aan waar ze je uit de wind moet houden of juist dat zetje in de goede richting moet geven. Een minder punt? Als begeleider zou ze misschien wat meer op de deadlines mogen zitten.”

 

Met één klein beentje in de universiteit
Gispen komt uit een academisch nest: haar vader is emeritus hoogleraar moleculaire farmacologie, haar moeder is farmacoloog en arts. Toch wilde ze niet per se de wetenschap in. “Ik wilde een traditioneel beroep: jurist of dokter. Het is eigenlijk meer toeval dan wijsheid dat ik een paar jaar geleden op het snijvlak van het juridische en medische ben terechtgekomen.”

Goldschmidt wist al van kinds af aan dat ze jurist wilde worden. “Ik wilde vooral naar Afrika. Iets in de ontwikkelingssamenwerking, bij Unicef misschien. Uiteindelijk ben ik mijn wetenschappelijke carrière begonnen met een Leids-Afrikaans samenwerkingsproject.”

Goldschmidt is, na de eerste jaren als (hoofd)docent in Leiden “heel erg heen en weer gerold. Ik heb een tijd bij Vrouwenstudies Rechten gezeten, bijna een decennium heb ik elders gewerkt met nog slechts één klein beentje in de universiteit (van 1994-2003 was ze voorzitter van de Commissie Gelijke Behandeling, red.). En naast mijn universitaire werk heb ik altijd veel andere functies gehad.”

Uiteindelijk heeft ze zo’n 60 procent van de tijd binnen de universiteit gewerkt, 40 procent erbuiten. Goldschmidt: “Marie Elske en ik zijn allebei heel geïnteresseerd in de manier waarop regels terechtkomen in de praktijk. Mensen moeten niet alleen wetgeving naleven, maar ook normen die voortkomen uit bijvoorbeeld hun sociale omgeving, cultuur of religie.

“In mijn werk bij de Commissie Gelijke Behandeling kwam dat heel sterk terug. De gelijke behandelingswetgeving kan geweldig mooi zijn. Maar als er bij Philips of IBM een enorm sterke bedrijfscultuur heerst met heel andere normen, is het moeilijk die wetgeving te laten werken.”

Tijdens haar veldwerk in Oeganda heeft Gispen samengewerkt met een NGO (niet-gouvernementele organisatie, red.) die in haar ogen geweldig werk verricht. Gispen: “Zou ik voor zo’n NGO in het buitenland werken, dan zou ik toch de reflectie van het academische missen. Idealiter houd ik in de toekomst de universiteit als prettige basis en maak ik van daaruit uitstapjes naar de praktijk. Net zoals Jenny.”

De universiteit: een old boys network
Goldschmidt is doof geboren. Een jaar of tien geleden kreeg ze een cochleair implantaat, waardoor ze nu vrij aardig kan horen. Toch is ze bijna dankbaar dat ze altijd doof was, omdat het steeds haar drijfveer was om grenzen op te zoeken en om niet op te geven. “Ik was me er heel erg van bewust dat ik mee moest blijven doen, omdat een comeback onmogelijk zou zijn. Wat ook helpt, is dat mensen je heel goed herinneren. Nog steeds kom ik weleens mensen tegen die zeggen: ‘Jij bent dat kleine dove meisje dat altijd vooraan zat in de collegebanken.’” Maar het had ook een keerzijde. “Ik heb nauwelijks colleges gevolgd, netwerken is veel lastiger en sommige mensen vinden het eng om je aan te spreken. Plus: alles kost twee keer zoveel energie”, herinnert Goldschmidt.

Goldschmidt is een vrouw. Ook dat is een bemoeilijkende factor geweest, met name in de jaren 70. ”De universiteit was toen toch een beetje een old boys network. Het idee dat er nog iets anders is in het leven dan carrière maken, was nog afwezig. Het begon toen een beetje te komen dat mensen minder dan fulltime wilden werken”, aldus de emeritus.

Haar oudste zoon was vijf jaar, toen hij zei dat hij ook weleens van school gehaald wilde worden om half vier. Goldschmidt: “Hij wilde graag na school op straat spelen. Ik vroeg aan de directeur van de faculteit of ik vier uur minder kon werken, zodat ik mijn zoontje twee dagen in de week kon ophalen. ‘Dat is wel heel moeilijk’, zei de directeur. ‘Weet je wat: je moet zeggen dat het allemaal te veel voor je is omdat je doof bent. Dan kan ik de buitenwacht wel overtuigen dat je minder moet gaan werken, maar niet als je het voor je kinderen doet.’ Dat is heel tekenend voor die tijd.”

Mini-cv Jenny Goldschmidt

Geboren: 1950 te Rotterdam
1974: doctoraaldiploma Nederlands Recht, Universiteit Leiden
1981: Ph.D., National and Indigenous Constitutional Law in Ghana, Universiteit Leiden
1975-1989: wetenschappelijk medewerker, (senior) docent en universitair hoofddocent in (vergelijkend) staats- en bestuursrecht, Leiden Universiteit
1989-1995: universitair hoofddocent Juridische Vrouwenstudies, Universiteit Utrecht, vanaf 1991 daarin bijzonder hoogleraar te Leiden en Utrecht
1994-2003: voorzitter Commissie Gelijke Behandeling
2001-2004: hoogleraar Gelijkheid en diversiteit in het recht (parttime), Universiteit Leiden
2004-heden: hoogleraar Rechten van de mens, Universiteit Utrecht
2007-2014: directeur Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten, Universiteit Utrecht

Goldschmidt doet onderzoek naar kwetsbaarheid van groepen en de effectiviteit van mensenrechten. De laatste jaren heeft ze zich veel beziggehouden met de verplichtingen uit het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.


Mini-cv Marie Elske Gispen

Geboren: 1986 te Utrecht
2010: zomerstage bij World Health Organization, Genève
2011: masterdiploma Nederlands Recht, Universiteit Utrecht
2011-2012: junior onderzoeker, Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten, Universiteit Utrecht
2012-heden: promovendus, Advancing access to opioid analgesics, Universiteit Utrecht
2013-2014: gastonderzoeker, Durham University

Gispen onderzoekt het spanningsveld tussen enerzijds de medische toegang tot gecontroleerde essentiële medicijnen waarvan de werkzame stof is gereguleerd onder het internationale drugscontroleregime en anderzijds het tegengaan van niet-medisch gebruik (‘drugsmisbruik’) van deze stoffen. Een voorbeeld is opium, waarvan pijnstillers als morfine worden gemaakt, maar ook heroïne.

 

Facebook Twitter Whatsapp Mail