Hoe kan een universitair docent zichzelf verbeteren?

Body: 

Met het onderzoek van ‘jonge hond’ Esther van Dijk kan ‘oude rot’ Manon Kluijtmans beleid verbeteren om universitair docenten op een juiste wijze te erkennen en waarderen en hen duidelijke opties bieden om zichzelf te blijven professionaliseren. Utrecht is niet de enige universiteit die vol ongeduld op de resultaten wacht.

Read in English

De interesse in onderwijskwaliteit van ‘oude rot’ Manon Kluijtmans (50) gaat terug naar de jaren dat zij nog student was aan de UU. Gewapend met slaapzakken, matjes en foerage dringt zij eind jaren 80 met vele medestudenten Trans I (nu Marinus Ruppertgebouw) in De Uithof binnen. De actievoerende studenten zijn ontevreden over de magere kwaliteit van het onderwijs dat ze krijgen aan de universiteit. “We speelden de hele nacht Risk”, vertelt Kluijtmans. Destijds vond ze het uitvoeren van de actie vooral erg spannend, maar het had ook echt positieve gevolgen, zegt ze. Inmiddels is Kluijtmans hoogleraar aan de faculteit Geneeskunde. Haar leeropdracht is om via onderwijs een brug te slaan tussen praktijk en wetenschap. Daarnaast is ze vice-rector Teaching & Learning en ze is wetenschappelijk directeur van het Centre for Academic Teaching.

Pioniersrol
Kluijtmans vertelt dat er tot de jaren 90 binnen de academische wereld nauwelijks oog was voor de professionele ontwikkeling van academische docenten. Utrecht besloot daar als eerste universiteit in Nederland serieus werk van te maken en introduceerde de basis- en senior kwalificatie onderwijs (bko en sko). Dit vond al snel landelijk navolging. Daarna zijn er vele vervolgstappen gezet zoals de introductie van het Utrechts Stimuleringsfonds Onderwijs en het Educate-it programma. In 2017 is het Centre for Academic Teaching opgericht. Dit is een UU-brede netwerkorganisatie waarvan Kluijtmans naast haar hoogleraarschap directeur is. “Docenten van de Universiteit Utrecht kunnen er terecht voor informatie, kennisdeling, ondersteuning en scholing gericht op hun eigen ontwikkeling en de vernieuwing van hun onderwijs”, legt Kluijtmans enthousiast uit.

Het professionaliseren van universitair docenten is ook nu weer zeer actueel dankzij de landelijke discussie ‘erkennen en waarderen’ om de waardering voor onderzoek, onderwijs en maatschappelijke impact beter in balans te brengen. Belangrijk in deze discussie is het antwoord op de vraag wat het werk van een universitair docent precies inhoudt en op welke wijze een docent kan zorgen dat zijn onderwijs aansluit op wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. Manon Kluijtmans en ‘jonge hond’ Esther van Dijk (25) maken met hun werk deze vragen inzichtelijk.

Esther voegt zich bij het gesprek. De promovenda komt net van een presentatie aan collega’s over haar lopende onderzoek naar de expertiseontwikkeling van universitair docenten. Ze is grofweg op de helft van haar promotietraject dat begin 2018 startte, en dat naast Manon begeleid wordt door Jan van Tartwijk en Marieke van der Schaaf. Naast theoretische inzichten beoogt haar onderzoek praktische handvatten te geven voor de waardering en ondersteuning van academisch docenten. Iets waar de universitaire wereld op zit te wachten om in het huidige beleid te implementeren, volgens Kluijtmans.

"In de zin van samenwerken met Manon wist ik waar ik aan begon", zegt Esther van Dijk. “We hebben na mijn afstuderen (Manon begeleidde Esther’s masterscriptie bij Onderwijswetenschappen, red.) contact gehouden om samen mijn scriptie te publiceren. Ik had eigenlijk nooit overwogen om een promotietraject in te gaan maar Manon moedigde me daartoe aan. En toen kwam de vacature op dit project wat me inhoudelijk erg aansprak en heb ik gesolliciteerd.” Om invulling te geven aan haar onderzoek voerde ze in de eerste maanden vele gesprekken over haar onderzoeksonderwerp met wetenschappers, adviseurs en docenten en las ze stapels literatuur. De startfase was behoorlijk zoeken, want wat wordt precies verstaan onder expertiseontwikkeling van academische docenten? Toen ze dat eenmaal scherp had, kon ze goed van start.

Kwaliteit docenten
Een van de vragen waar Manon zich bestuurlijk mee bezighoudt, is hoe je de kwaliteit van docenten zou moeten evalueren. “Wat moeten docenten ontwikkelen en hoe meet je dat? Nu wordt er vaak vooral naar studentevaluaties gekeken, maar daarmee krijg je niet het volledige beeld. Daarnaast is er steeds meer onderzoek dat aantoont dat studenttevredenheidscijfer erg ‘biased’ zijn, zo worden mannen structureel beter beoordeeld dan vrouwen.” Ook blijkt de tevredenheid soms haaks te staan op hoeveel studenten leren. “Stel dat je als docent een heel matige groep studenten hebt. Dan kun je nog zo geweldig onderwijs geven, maar de cijfers van studenten weerspiegelen dat dan niet”, zegt Esther. “Dus waar de studentevaluatie natuurlijk belangrijk is als input hoe de studenten het onderwijs ervaren hebben en gebruikt kan worden om een cursus te verbeteren, zegt dit nog vrij weinig over het doceren.”

De fundamenteel academische vraag wat docenten nodig hebben om zich te ontwikkelen, ligt dus ten grondslag aan het promotieonderzoek van Esther. Samen met haar begeleiders bracht ze in kaart welke ‘frameworks’ er wereldwijd zijn om uit te drukken wat een academische docent moet kunnen. “We hebben vanuit taakgericht perspectief geanalyseerd wat universitair docenten geacht worden te kunnen”, legt Esther uit. Manon vult aan: we hebben alle beschrijvingen uit die 46 frameworks gecodeerd, in een pan gegooid en toen gekeken welke apart te markeren taakgebieden dan zichtbaar worden. De rode draad dus uit al die frameworks.

Zes taakgebieden
Uit deze analyse blijkt dat er wereldwijd grofweg zes taakgebieden voor docenten beschreven kunnen worden: onderwijs geven en het ondersteunen van leren, onderwijsontwerp, assessment en feedback, leiderschap en management in onderwijs, ‘scholarship’ en onderzoek van onderwijs, en het zichzelf ontwikkelen als docent. Esther pakt een sheet uit haar tas die ze heeft gebruikt tijdens haar presentatie. “Kijk, binnen de taakgebieden kunnen docenten zich ontwikkelen door beter te worden in een bepaalde (sub)taak, door nieuwe (sub)taken te leren, en door hun invloedsfeer in een bepaalde (sub)taak uit te breiden. Dit model geeft niet alleen consensus van alle bestaande ‘frameworks’, maar brengt ook nieuwe inzichten over hoe docenten hun expertise kunnen ontwikkelen.”

Onderwijskundig leiderschap
Op deze analyse van bestaande frameworks bouwt Esther nu verder. Het is het eerste deel van haar proefschrift. In de pakweg twee jaar die haar resteren gaat ze verder uitpluizen hoe docenten expertise in verschillende taakgebieden ontwikkelen, en hoe expertise tussen de taakgebieden samenhangt. Een van de vervolgstudies is een retrospectieve studie. Daarin kijken senior academische docenten terug op de zes door haar beschreven taakgebieden. Zo zal Esther de ontwikkeling van de docenten nog beter begrijpen.

Eén van de vragen die daar volgens Esther onder ligt is de volgende: hangt expertise in de zes taakgebieden met elkaar samen? Is bijvoorbeeld onderwijskundig leiderschap een andere expertise dan een goed onderwijs geven? Als docent moet je weten wat voor expertise je nodig hebt. “Ik sprak een docent die vertelde dat hij lid was geworden van de opleidingscommissie en de rol van voorzitter op zich had genomen. Hij was tot het inzicht gekomen dat dit helemaal niet bij hem paste. Dit betekent niet dat hij geen goede docent is. Het duidt er wel op dat expertise in het ene taakgebied iets anders is dan in het andere taakgebied.”

Er is zowel binnen de Universiteit Utrecht als daarbuiten al veel belangstelling voor de synthese uit het eerste deel van Esthers onderzoek. “Een deel van de resultaten heb ik dus al gedeeld en die worden gebruikt bij beleidsondersteuning. Hoe leuk het ook is dat resultaten al gebruikt worden, dit geeft wel is dit een zeker spanningsveld bij de publicatie”, vindt Esther. Ze weet niet precies wat je wel en niet van het onderzoek mag delen voordat je een artikel gepubliceerd hebt in een academisch tijdschrift en dat vindt ze lastig. Wat accepteren ze wel en wat niet? Haar begeleiders helpen haar hierin afwegingen maken, want ook dat is onderdeel van het leerproces van een promotietraject. “Ook voor ons is het overigens bijzonder dat universiteiten zo staan te springen om deze resultaten, dat kom je in onderzoek niet zo vaak tegen. Het is duidelijk dat er een kentering gaande is. Goed onderwijs en betere waardering van docentschap staan hoog op de agenda van universiteiten evenals de maatschappelijke rol van docent, aldus Manon”

Manon over Esther:

“Wat ik in Esther waardeer is haar slimheid. Ze vindt het echt leuk om dingen helemaal te doorgronden. Ze leest niet één artikel om een concept of begrip te begrijpen, maar ze leest alles wat van belang is. Die diepe interesse is heel academisch en het is een fundamentele eigenschap voor een promovendus. Ook haar netwerkcapaciteiten zijn heel goed. Ze weet het theoretische resultaat ook een praktische uitwerking te geven. Haar projectmanagement- en planningsvaardigheden komen daarbij uitstekend van pas. Ze werkt hard, is doelgericht en flexibel. Ze weet heel goed wat er moet gebeuren.

Ik heb eigenlijk maar één tip en die heeft te maken met het feit dat ze veel leuk vindt: ze moet prioriteiten stellen. Esther vindt het bijvoorbeeld leuk om les te geven aan studenten en dat draagt zowel bij aan inzicht in haar studie als aan haar eigen ontwikkeling. Super dus, maar we moeten wel steeds samen het volume bewaken want ze wil ook haar onderzoek op tijd afkrijgen. Ook geeft ze graag presentaties of workshops. In al die keuzes is het belangrijk om je steeds af te vragen waar je energie van krijgt en wat prioriteit heeft. Ook voor de toekomst is dit een belangrijke vaardigheid.”

Esther over Manon:

“Wat ik in Manon waardeer is haar enorme gedrevenheid en ambitie om het onderwijs verder te brengen. Ik heb haar daarin nog beter leren kennen toen ik als pilot voor mijn onderzoek een uitgebreid interview met haar heb gevoerd over haar loopbaan. Met elke stap die ze zette, was ze bewust bezig of die haar wel iets nieuws bracht. Onze samenwerking is ook heel inspirerend, omdat Manon daarin heel erg haar eigen hart en interesses volgt. Zo ging ze na haar biomedische promotie ontwikkelingswerk doen in Peru, is ze zich daarna gaan scholen tot epidemioloog, en specialiseerde zich uiteindelijk in het onderwijs. Manon is bovendien heel warm en betrokken naar collega’s en dat is voor mij heel belangrijk. Ze heeft ook oog voor hoe het met me gaat, en juist dat helpt  om optimaal te functioneren.

Iets wat Manon altijd tegen mij zegt, zou zij ook zelf vaker kunnen toepassen: vaker nee zeggen. Haar agenda loopt altijd zo vol, dus net als ik moet ook zij continu keuzes maken.”

Facebook Twitter Whatsapp Mail