Internationale studenten die bij het USC lullepot houden, dat wordt lastig

Body: 

Universiteiten willen graag dat Nederlandse studenten meer in contact komen met internationale. Ook bij gezelligheidsverenigingen, waar internationale studenten tot nu toe zelden over de vloer kwamen. In Utrecht is daar vandaag een bijeenkomst over. Het blad Transfer keek hoe die verhoudingen binnen heel Nederland liggen.

Read in English

Universiteiten willen graag dat Nederlandse studenten meer in contact komen met internationale. Ook bij gezelligheidsverenigingen, waar internationale studenten tot nu toe zelden over de vloer kwamen. In Utrecht is daar vandaag een bijeenkomst over. Het blad Transfer keek hoe die verhoudingen binnen heel Nederland liggen.

Dit studiejaar zijn er in Nederland ruim 112.000 internationale studenten met 164 verschillende nationaliteiten, meldt internationaliseringsorganisatie Nuffic. Ruim 30.000 volgen een paar vakken of lopen stage, maar 81.000 zijn hier voor een volledige opleiding naartoe gekomen.

Zou het dan niet logisch zijn als er meer informele ontmoetingen ontstaan tussen Nederlandse en buitenlandse studenten? De Universiteit Utrecht vindt van wel. “We hebben van oudsher niet heel veel internationale studenten, maar er komen er steeds meer,” zegt Marieke de Bakker, afdelingshoofd Studentbegeleiding bij de directie Onderwijs en Onderzoek van de UU. “In ons Strategisch Plan staat dat we een internationale community willen zijn.” Volgens De Bakker houdt zo’n gemeenschap in dat Nederlandse en buitenlandse studenten zich mengen. Niet alleen op de universiteit, maar ook in het verenigingsleven. “Utrecht is een echte verenigingsstad, dus willen we graag dat internationale studenten ook daar hun plek vinden.”

Wij willen de traditie graag waarborgen en ons karakter behouden

Tot nu toe hebben de meeste Nederlandse gezelligheidsverenigingen nog niet zo’n internationaal karakter. Het Utrechtsch Studentencorps (USC, 1.057 leden) en de Utrechtse studentenvereniging Veritas (1.750 leden) hebben bijvoorbeeld helemaal geen internationale leden. Reinier van Doorn, rector van het USC, ziet het taalverschil als een belangrijke hobbel. “De liederen die we zingen, de ‘lullepot’ waarbij iemand op tafel klimt en een verhaal vertelt – dat soort tradities is nauw verbonden met de Nederlandse taal.”

Janneke Sloet van Oldruitenborgh, president van WSV Ceres in Wageningen, herkent dat. “Bij ons hoor je het argument ‘zo is het altijd al geweest’ regelmatig. Wij willen de traditie graag waarborgen en ons karakter behouden. Als er bij ons altijd internationale studenten rondliepen, en de voertaal Engels zou worden, zou dat misschien veranderen.”

Het Groningse Albertus Magnus (2.400 leden) heeft wél een paar internationale leden, maar die zijn vooralsnog op twee handen te tellen. Vicepreses Sophie Offringa zegt dat “de cultuur er nog niet naar” is om alles in het Engels te doen, maar merkt wel dat leden zich gemakkelijk aanpassen aan internationale studenten. “Zij schakelen in hun bijzijn over op Engels.”

Als de universiteit internationaler wordt, moet het Corps daarin meegaan

Niet alleen de taal is een probleem, ook de duur van het lidmaatschap speelt mee. Reinier van Doorn van het USC: “Bij ons word je lid voor het leven en de opbouw in jaren is belangrijk. Je komt als eerstejaars in een studentenhuis wonen en vertrekt daar weer na je vijfde jaar; je gehele lidmaatschap maak je deel uit van een jaarclub. Zo bouw je een band op. Dat werkt niet zo goed als je een halfjaar of twee jaar meedraait. Dan valt de groep sneller uit elkaar.” Van de andere kant: “Als de universiteit internationaler wordt, moet het Corps daarin meegaan. We zijn geen stijve organisatie die alles wil houden zoals het is. Op termijn zal het vast gewoon worden dat internationale studenten lid worden.”

Floris Foekens, preses van Veritas, vraagt zich dat af. “Elk jaar komt hier een groep internationale studenten eten en borrelen. We laten hun dan de vereniging zien en leggen onze mores en gebruiken uit. Maar ik heb niet het idee dat de meesten van hen graag lid zouden worden. Dat komt doordat we niet echt een internationaal karakter hebben, maar ook doordat er verenigingen als I*ESN zijn. Die sluiten beter aan bij de behoeften van internationale studenten – en bij de duur van hun verblijf.”

Buitenlandse studenten zijn inderdaad een diverse groep: er vallen studenten onder die hun bachelor én hun master in Nederland doen en daarna in Nederland willen blijven wonen, maar ook uitwisselingsstudenten die slechts een of twee vakken komen volgen. Marieke de Bakker vindt het vooral belangrijk dat de diplomastudenten zich in het verenigingsleven mengen. Zij zijn hier niet alleen langer, ze hebben over het algemeen ook meer interesse om Nederlanders te leren kennen. Kroes: “Natuurlijk zou het mooi zijn als ook uitwisselingsstudenten deelnemen in het studentenleven, maar dat ligt gezien hun korte verblijf toch minder voor de hand.”

Een halfjaartje is te kort om er bij een gezelligheidsvereniging echt tussen te komen

Martina Baas van de Groningse tak van I*ESN, een landelijke vereniging met voornamelijk internationale – maar ook Nederlandse – leden, ziet ook dat uitwisselingsstudenten andere wensen hebben dan diplomastudenten. “Ze willen een halfjaartje genieten van hun tijdelijke universiteitsstad. Dat is te kort om er bij een gezelligheidsvereniging echt tussen te komen.” Deze studenten hebben meer aan I*ESN, zegt Baas. “Het gaat ze om nú, niet zozeer om de toekomst.”

Aan de RUG is overigens wel nagedacht over de oprichting van een nieuwe internationale vereniging, vertelt Mark de Jager, die als studentassessor het College van Bestuur adviseert over studentenzaken. Internationale studenten hebben namelijk zelf niet zo veel interesse voor de traditionele verenigingen. De Jager: “De druk om nominaal te studeren is groot. Hun studie is duur, ze kunnen zich geen uitloop permitteren. Daar komt bij dat hun beeld van studentenverenigingen vaak anders is. In Duitsland zijn de verenigingen bijvoorbeeld een elitaire aangelegenheid, net als de fraternities in Amerika.” Losse feesten en evenementen vinden internationale studenten wél leuk, zegt De Jager. “Maar lid worden is vaak een brug te ver.”

De RUG ziet er daarom meer in om Nederlandse verenigingen te stimuleren vrijblijvende evenementen voor internationale studenten te organiseren. De Jager: “De universiteit organiseert twee keer per jaar een seminar voor verenigingen, met workshops over hoe je je vereniging internationaler kunt maken. In februari vond het voor de derde keer plaats, in augustus is er weer een editie waarin best practices worden uitgewisseld. Dat werkt.”

Internationale studenten worden bij veel studentenorganisaties vaak onbewust, uitgesloten.

Toch blijven universiteiten inzetten op internationalisering van de Nederlandse verenigingen. Kroes: “Natuurlijk ontmoet een beperkt aantal Nederlandse en internationale studenten elkaar bij I*ESN, maar dat vinden we niet genoeg. We willen die ontmoeting veel breder tot stand zien te brengen.” De Bakker: “We weten dat internationale studenten bij veel studentenorganisaties, vaak onbewust, uitgesloten worden. Bijvoorbeeld doordat websites niet in het Engels worden aangeboden. Wij willen als universiteit actief uitdragen dat diversiteit en internationalisering belangrijk zijn, al was het maar omdat de maatschappij vraagt om interculturele competenties. Daarom moeten wij, als subsidiërende instelling, die discussie blijven aanjagen en de bewustwording stimuleren. Net zoals we dat moeten doen als het over de ontgroening gaat. Want als we verandering aan de verenigingen zelf overlaten, gaat het voor ons als instelling te langzaam.”

In Groningen openen op de jaarlijkse Integration Night inmiddels diverse verenigingen hun deuren voor internationale studenten. Ook in de rest van het land denken veel verenigingen na over het organiseren van losse evenementen waar internationale studenten de Nederlanders kunnen ontmoeten. De Universiteit Maastricht richt zelfs een speciale locatie op waar alle studentenorganisaties evenementen mogen organiseren voor internationale en Nederlandse studenten. Het gebouw, Kaleido, is vooral bedoeld voor kleinere verenigingen zonder eigen locatie.

WSV Ceres in Wageningen organiseert af en toe een open avond. Ook overweegt de vereniging een speciaal ‘internationaal lidmaatschap’ in te voeren; een soort strippenkaart, waarmee internationale studenten toegang hebben tot de vereniging. De president, Janneke Sloet van Oldruitenborgh: “Niet op de maandagavond, onze traditionele verenigingsavond, maar bijvoorbeeld op donderdag en vrijdag.”

Dit artikel is overgenomen uit Transfer, het onafhankelijk magazine over internationalisering in het hoger onderwijs.

Facebook Twitter Whatsapp Mail