'Knap dat je als vrouw hoogleraar bent'

Body: 

Aan de muur van zaal 1636 van het Academiegebouw zijn maandag 6 maart 122 portretten van vrouwelijke hoogleraren feestelijk onthuld. De serie is gemaakt naar aanleiding van de benoeming van de eerste vrouwelijke hoogleraar van Utrecht en Nederland Johanna Westerdijk - nu honderd jaar geleden. DUB spreekt met zes geportretteerde vrouwen over hun carrière en keuzes, en over vrouw zijn in een mannenbolwerk.  

Aan de muur van zaal 1636 van het Academiegebouw zijn maandag 6 maart 122 portretten van vrouwelijke hoogleraren feestelijk onthuld. De serie is gemaakt naar aanleiding van de benoeming van de eerste vrouwelijke hoogleraar van Utrecht en Nederland Johanna Westerdijk - nu honderd jaar geleden. DUB spreekt met zes geportretteerde vrouwen over hun carrière en keuzes, en over vrouw zijn in een mannenbolwerk.  

Slecht drie portretten van vrouwelijke hoogleraren hangen er in de Senaatszaal van het Academiegebouw. Twee van hen nog geboren in de negentiende eeuw, de derde net in de twintigste. Een kwalijke zaak, en zeker niet meer representatief voor een moderne universiteit, vinden de professores van nu.

Ze reageerden massaal op de oproep van het Vrouwennetwerk om een alternatieve portrettengalerij te creëren in het kader van het Johanna Westerdijkjaar. Van de vrouwen die niet op de foto zijn gegaan, waren de meesten om praktische redenen verhinderd, zoals een verblijf in het buitenland.

De 122 hoogleraren poseerden in toga voor UU-medewerker en fotografe Wieke Eefting. Hun portretten hangen in zaal 1636 van het Academiegebouw. De meeste vrouwen zijn erg blij met hun foto “hoewel mijn baret zo een beetje op een hoge hoed lijkt”. Ze staan volledig achter het doel. “Ik wil laten zien dat inmiddels velen het voorbeeld van Westerdijk hebben gevolgd.”


Kitty Bloemenkamp (51), Hoogleraar bij het UMC Utrecht en WKZ

  • Functie: Hoogleraar Obstetrie
  • Loopbaan: promoveerde in 1999 bij de afdeling Epidemologie van het LUMC in Leiden. Werkt tot 2014 als gyneacoloog / perinatoloog bij het LUMC. Werd in 2015 benoemd tot hoogleraar Obstetrie bij het WKZ/UMCU Utrecht
  • Aanstelling: fulltime
  • Bijzonderheden: Voorzitter Audit Commissie Moedersterfte, Nederlandse Vereniging Obstetrie en Gynaecologie, Voorzitter Netherlands Obstetric Surveillance Systems, Voorzitter International Network of Obstetric Surveillances


Ben je blij met je foto? “Ik vind het een mooie foto, hij is net voor mijn oratie gemaakt. Ik had er toen echt zin in  mijn oratie uit te spreken en volgens mij is dat op deze foto te zien.”

Je hebt na je promotie eerst 16 jaar als gynaecoloog gewerkt. Wilde je graag nog hoogleraar worden? “Ik heb altijd gezegd dat hoogleraar worden niet mijn hoogste streven was, maar wilde wel goed, degelijk en betrouwbaar onderzoek doen. En alleen hoogleraar worden, als ik inhoudelijk een bepaald niveau had bereikt. Op een gegeven moment kom je tot de conclusie dat je professorabel bent. Toen ik dat hardop zei, ging het balletje rollen.”

Hoe is het om een vrouw te zijn in een mannenwereld? “Als vrouw ben je zichtbaar in de minderheid in het hooglerarencorps of in commissies. Laatst tijdens het hooglerarendiner van de universiteit werd er aan mijn man gevraagd welke leerstoel hij bekleedde! Vrouwen hebben over het algemeen ook een iets andere aanpak dan mannen. Zij verbinden meer, zij zorgen voor diversiteit wat de wetenschap en samenwerking tussen partijen ten goede komt, denk ik.”

Zie je jezelf als een rolmodel voor vrouwelijke studenten? “Ik heb wel het gevoel dat vrouwelijke studenten en gynaecologen mij vaak als rolmodel zien. De tip die ik aan vrouwelijke studenten wil geven is: doe vooral de dingen die leuk vindt en goed kan en als je iets echt wilt , maak het dan ook kenbaar aan de omgeving”


Johanna Fink-Gremmels (67), emeritus hoogleraar bij Diergeneeskunde

  • Functie: Hoogleraar emeritus Veterinary Pharmacology, Pharmacotherapy and Clinical Toxicology
  • Loopbaan: promoveerde aan de faculteit Diergeneeskunde in Hannover in 1974, gevolgd door een postdoc positie en een positie als universitair docent Farmacologie. Was wetenschappelijk directeur van het Max Rubner-Instituut van 1986 tot 1991. Werd in 1991 benoemd tot hoogleraar in Utrecht.
  • Aanstelling: fulltime hoogleraar
  • Bijzonderheden: eerste vrouwelijke hoogleraar bij Diergeneeskunde. In maart 2017 verdedigt haar laatste promovendus zijn proefschrift.

Je was bij je oratie in 1992 de eerste vrouwelijke hoogleraar bij Diergeneeskunde. Was het moeilijk om op die plek te komen? “Het was hard werken, en je moet je leven goed organiseren. Het hielp enorm dat mijn familie achter me stond, zeker toen mijn twee zoons nog klein waren. Toen de kinderen geboren werden, ging ‘men’ er van uit dat ik geen carrièreambities meer had. Het was heel gewoon om dan te stoppen, of een langere pauze te maken – maar bij een wetenschappelijke carrière kan dat echt niet.”

Merk je dat je als vrouw anders wordt behandeld in een mannenwereld? “Ja, dat merk je al op het moment dat je docent wordt (al de mails/brieven met: Beste mevrouw Fink – geachte collegae)  – en zeker toen ik er bij mijn sollicitatiegesprek achter kwam dat ik de eerste vrouwelijke hoogleraar bij Diergeneeskunde in Utrecht zou worden. Maar er zitten ook voordelen aan het vrouw-zijn. Ik had al vanaf mijn studententijd als levensfilosofie:  als vrouw kan je carrière maken, maar je moet niet!  Zoiets werkt heel ontspannend.”

Welke irritante vraag hoor je het meest als het gaat om de combinatie hoogleraar en vrouw? “Waar haal je de energie vandaan?’ Ik vind dat erg vreemd, alsof niet iedereen die zich inspant voor het werk energie nodig heeft!”

Zie je jezelf als een voorbeeld voor vrouwelijke studenten?  “Een beetje wel, want het glazen plafond zien vooral de buitenstaanders, voor jezelf is het gewoon een beslissing of je ervoor wilt gaan. Dat wil ik ook meegeven aan studentes die de wetenschap in willen: denk lang, en herhaald na of je dat echt wilt doen en of je kunt accepteren dat er voor heel veel andere dingen dan geen tijd meer zal zijn. Als je als vrouw ‘cadeautjes’ verwacht in de academische wereld moet je echt meteen stoppen.”


Marjolein Dijkstra (49), hoogleraar bij de Bètafaculteit

  • Functie: Hoogleraar Computer simulations of soft condensed matter. 
  • Loopbaan: gepromoveerd op het FOM instituut AMOLF in 1994. Was postdoc in Oxford, Bristol en Lyon en onderzoeker bij Shell. Werd in 1999 universitair docent bij de UU. Is in 2007 benoemd tot hoogleraar.
  • Aanstelling: fulltime
  • Bijzonderheden: Onderzoeksdirecteur Debye Institute for Nanomaterials Science

 

Je bent hoogleraar in de Natuurkunde. Hoe was het om in dit vakgebied carrière te maken? “Pas sinds ik gepromoveerd ben heb ik niet meer het gevoel dat ik meer moet vechten omdat ik een vrouw ben. Als middelbare scholier en als student wel. Natuurkunde was namelijk niks voor meisjes, zo werd mij zowel op de middelbare school als op de universiteit gezegd, ook in Utrecht.”

Heb je daarom meegedaan aan de foto-expositie? “Ja, het is al heel lang dat er te weinig vrouwen doorstromen naar hoge posities, terwijl de instroom van mannen en vrouwen bij de studenten ongeveer fifty-fifty is. Het is goed dat hier aandacht voor is en dat er daadwerkelijk geprobeerd wordt om dit te veranderen.”

Wat is de aan jou meest gestelde vraag waarvan je vermoedt dat je mannelijke collega’s die zelden of nooit gesteld krijgen? “Ik word vaak gevraagd om als vrouw lid te zijn in allerlei commissies. Ik weiger altijd als ze me alleen vragen omdat ik vrouw ben, en niet vanwege mijn expertises of kwaliteiten. Als maar een van de weinige vrouwen bent in een onderzoeksgebied, ben je bovendien vaak de klos. Laatst was ik als enige vrouw in het cortège bij een oratie, waar ik ook nog eens niemand van de hoogleraren kende. Dat voelde wel eenzaam.”

Wat vind je leuk aan je werk? “Het samenwerken met enthousiaste, getalenteerde jonge onderzoekers vind ik erg leuk. Ook het oplossen van een onderzoeksvraag waar al heel veel onderzoekers in de wereld hun tanden op stuk hebben gebeten, geeft me veel voldoening. Het is geweldig als alle puzzelstukjes dan op de juiste plek vallen.”

Wat wil je bèta-studentes meegeven? “Doe vooral iets wat je echt leuk vindt en doe het op je eigen manier. Als je ergens goed in wilt worden dan moet je er hard voor werken, dat lukt alleen als je er plezier in hebt.  Probeer ook om een niche te vinden, of om je op een of andere manier te onderscheiden van de rest. Loop niet de kudde achterna, maar probeer je unieke weg te vinden.”


Janneke Gerards (41), hoogleraar bij de faculteit Recht, Economie, Bestuur & Economie

  • Functie: Hoogleraar Fundamentele Rechten
  • Loopbaan: promoveerde in 2002 in Maastricht. In 2005 benoemd tot hoogleraar Staats- & Bestuursrecht in Leiden. Werkte van 2011 tot 2016 bij de universiteit van Nijmegen als onderzoekshoogleraar Fundamentele Rechten en daarna als hoogleraar Europees Recht
  • Aanstelling: fulltime, dedicated chair bij Institutions for Open Societies
  • Bijzonder: lid KNAW, plaatsvervangend raadsheer gerechtshof Den Haag, lid Commissie Mensenrechten van de Adviesraad Internationale Vraagstukken, voorzitter KNAW-verkenningscommissie Taalbeleid in het Hoger Onderwijs

Drie jaar na je promotie heb je het al tot hoogleraar geschopt. Indrukwekkend… “Ik wist toen niet goed wat me overkwam, ik was 29, en ik vond mezelf wel jong voor deze functie. De toenmalige rector van de Universiteit Leiden heeft me overgehaald met het argument dat het een ouderwetse gedachte is dat je pas hoogleraar kunt worden als je jaren ervaring hebt. In het begin vond ik het wel zwaar – de verwachtingen zijn hoog en door hoogleraarstaken heb je weinig tijd om aan je eigen onderzoek te werken.”

En toen moest je dus ook een toga aan … “Zit wel lekker, hoor! Behalve in de zomer, dan is het bloedheet in dat ding. Ik vind het een beetje een verkleedpartij, maar het is ook mooi om deel uit te maken van de universitaire traditie.”

Welke irritante vraag word je het meest gesteld als het gaat om de combinatie hoogleraar en vrouw? “Gek genoeg krijg ik die vraag eigenlijk nooit! Ik weet dat dit voor veel vrouwelijke hoogleraren anders is, maar om welke reden dan ook stellen ze hem nooit aan mij.”

Op welke momenten ben je je ervan bewust dat je in een mannenbolwerk zit? “Het komt regelmatig voor dat ik als enige vrouw in een mannengezelschap zit, maar ik heb daar nooit zo’n last van. Wel let ik bewust op de samenstelling van benoemingscommissies. Als die niet goed uitgebalanceerd is, is de kans al te groot dat er alleen maar mannen in zitten. Uit onderzoek blijkt dat mensen vaak toch iemand kiezen die op hen lijkt.”

Zie je jezelf als een rolmodel voor vrouwelijke studenten? “Ik zie mezelf niet als rolmodel, maar ik begeleid wel heel graag vrouwelijke masterstudenten of promovendi. Op de een of andere manier begrijp ik altijd wel goed waar ze mee zitten. Ik merk dat vrouwen vaak onzeker zijn, bang dat ze niet goed genoeg zijn. Het lukt me goed om ze meer zelfvertrouwen te laten krijgen.”


Sandra Ponzanesi (50), hoogleraar bij de faculteit Geesteswetenschappen

  • Functie: Hoogleraar Gender- & Postcolonial Studies
  • Loopbaan: promoveerde in 1999 op Comparatieve literatuurwetenschap en genderstudies. Werd in 2009 universitair docent Gender and Postcolonial Critique aan de UU. Is in 2015 benoemd tot hoogleraar aan de UU.
  • Aanstelling: fulltime / onderzoekshoogleraar
  • Bijzonderheden: bestuurslid van het Landelijke Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren, Directeur Postcolonial Studies Initiative, Head of Department, Humanities, University College Utrecht

Je bent 16 jaar na je promotie hoogleraar geworden. Hoe heb je de periode ertussen ervaren? “Mijn carrièrestappen waren niet per se problematisch, maar ze verliepen wat traag. Ik heb naast mijn werk als UD veel onderzoekprojecten geleid, in eerste instantie zonder vaste aanstelling. Pas toen ik tot UHD gepromoveerd werd, werden de vooruitzichten stabieler. Bijna tegelijkertijd met mijn benoeming tot hoogleraar, kreeg ik een ERC Consolidator Grant. Toen viel ineens alles op zijn plek.”

Zitten er voordelen aan het vrouw-zijn in een mannenwereld? “Het maakt je positie speciaal, je valt op, hoewel niet altijd op de gewenste manier. Maar van die speciale situatie kun je wel gebruik maken om een status quo te doorbreken. Het old boys network heb je als vrouw weinig aan. Je moet andere strategieën kiezen.”

Wat is het leukste aspect van je werk? “Voor mij is werken aan de universiteit een van de meest stimulerende en dankbare beroepen die ik me kan voorstellen. Ik vind het een voorrecht om de nieuwe generatie op te leiden. Het werk geeft me ook het gevoel deel uit te maken van een kosmopolitische gemeenschap van wetenschappers en studenten die kennis delen en die samen werken aan en nadenken over een betere wereld.”

Heb je vrouwelijke rolvoorbeelden gehad? “Ik heb vaak gewerkt met sterke vrouwen, op de middelbare school al, maar ook tijdens mijn studietijd in Bologna en PhD in Utrecht en daarna.  Ze leerden me de kneepjes van het vak, en ze leerden me ook hoe ik een dikkere huid kon krijgen.”

Is zelfvertrouwen belangrijk? “Ja, in mijn tijd in ieder geval wel. Emancipatie of ambitie tonen was niet altijd overal zo vanzelfsprekend als het nu is. Mijn advies aan vrouwelijke studenten is om enerzijds op hun eigen kunnen te vertrouwen, maar ook om solidair te zijn met anderen. Alleen als je verder kunt kijken dan je eigen geluk of je carrière, kun je echt iets veranderen in de wereld. Ik hoop dat mijn studenten dan op hun beurt een rolmodel kunnen zijn.”


Caroline Slomp (49), faculteit Geowetenschappen

  • Functie: Hoogleraar Mariene Biogeochemie
  • Carrière: promoveerde in 1997 aan Wageningen Universiteit op onderzoek dat zij uitvoerde bij het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee op Texel. Werd in 2004 en 2006 benoemd tot respectievelijk universitair docent en universitair hoofddocent aan de Universiteit Utrecht. Is in 2014 benoemd tot hoogleraar aan de UU.
  • Aanstelling: fulltime

 

Je hebt gekozen voor een carrière in de wetenschap. Goede keus? “Ja, ik heb tot de dag van vandaag geen moment spijt gehad. Je moet wel altijd hard werken; makkelijk is het nooit. In mijn geval heb ik door het verwerven van een serie persoonlijke beurzen een vaste aanstelling gekregen en verdere promotie gemaakt. Dat zorgde vaak voor spannende momenten. De beurs die ik in 2011 van de ERC kreeg was de directe aanleiding voor mijn benoeming tot hoogleraar.”

Wat vind je het leukste aan je werk? “Onderzoek doen met een schip op zee vind ik het allerleukste. Binnenkort ga ik met mijn team weer varen. Dit keer doen we dat in de Oostzee met een Zweeds schip. We onderzoeken wat de effecten zijn van zuurstofloos zeewater op de chemie en (micro-)biologie van de zeebodem. We zijn dit keer op zoek naar kabelbacteriën – dat zijn centimeters-lange bacteriën die de ijzerchemie van de zeebodem sterk kunnen doen veranderen. We zijn benieuwd of we ze gaan vinden!”

Krijg je wel eens irritante vragen over de combinatie hoogleraar-vrouw? “Geen vragen, maar wel denigrerende complimenten zoals: ‘Knap dat je als vrouw hoogleraar bent’ en ‘Je doet het goed voor een vrouw in het onderzoek’.”

Zie je jezelf als een rolmodel voor vrouwelijke studenten? “Ik wil graag mijn enthousiasme voor mijn vakgebied, de biogeochemie, overbrengen aan alle studenten en wil daarmee voor hen allemaal een rolmodel zijn. Voor zowel mannen als vrouwen heb ik het advies dat ze niet op moeten geven als het tegen zit. Pak alle kansen die je krijgt binnen je opleiding. Leer samenwerken: de grote ontdekkingen worden vaak gedaan op het grensvlak van disciplines.”

Facebook Twitter Whatsapp Mail