Tijdelijke docenten krijgen vanaf 2019 een contract voor vier jaar

Body: 

Alle nieuwe tijdelijke docenten krijgen vanaf 2019 een aanstelling van minstens drieënhalve dag voor een periode van vier jaar. Een deel van hun tijd mogen ze besteden aan hun ontwikkeling. Dit besluit van het College van Bestuur en de decanen moet de werkdruk in het onderwijs verlichten. In 2020 moet 80 procent van de tijdelijke docenten op die manier werken.

Read in English

De tijdelijke docenten zijn vaak de jongere docenten die onderwijs geven en geen onderzoek doen. Op dit moment zijn dat zo’n 350 docenten. Zij hebben korte werkweken en kortlopende contracten waarvan onbekend is of ze worden verlengd. Veel studenten vinden het jammer dat hun bevlogen jonge docent vaak na een jaar weer weg moet, ook al zijn de cursusevaluaties goed.

“Dat is vervelend voor deze veelal gemotiveerde jonge docenten, omdat het zorgt voor onzekerheid. Maar ook voor de zittende ervaren docenten, die steeds weer nieuwe collega’s moeten inwerken”, vertelt universiteitsbestuurslid Annetje Ottow. “Uit de medewerkersmonitoren blijkt dat tijdelijke contracten voor veel werkdruk zorgen. Het onderwerp kwam ook vaak terug tijdens onze lunches met UU’ers over de werkdruk.”

Overgangsjaar
Om hieraan tegemoet te komen heeft het College van Bestuur besloten de contracten van tijdelijke docenten aan te pakken. Dat ligt ook in de lijn van de afspraken in de cao, waarin is afgesproken dat de universiteiten minder met kortlopende contracten zou werken. Daarom is ook samen opgetrokken met de faculteiten. Ottow geeft toe dat het bij de onderwijsrijke faculteiten wel puzzelen zal zijn. Daarom is er een overgangsperiode van één jaar. In 2020 zou 80 procent van alle tijdelijke docenten onder de nieuwe werkwijze moeten vallen.

In een brief aan de decanen schrijft het college dat alle nieuwe tijdelijke docenten een contract krijgen van minstens 0,7fte (dat is ongeveer drieënhalve dag) voor een duur een duur van vier jaar. Bovendien krijgen ze 10 procent van de tijd om zich te ontwikkelen. De bko, de basiskwalificatie onderwijs, is daar een verplicht onderdeel van.

Volgens Annetje Ottow hoeft deze maatregel in beginsel niet meer geld te kosten. Alleen voor de ontwikkeltijd kan een extra investering nodig zijn. Het idee is dat het totaal aantal onderwijsuren (fte) niet verandert. Het gevolg van van de nieuwe contractafspraken is wel dat er minder tijdelijke docenten komen. Dat betekent dat ze ook wat meer verschillende cursussen moeten geven binnen hun opleiding of faculteit. Voor de overgangsperiode kan het zijn dat extra financiële ondersteuning nodig is.

Uitzonderingen op de regel zullen er blijven. Zo kan de praktijkdocent die een dag per week lesgeeft dat naast zijn andere baan blijven doen. Ook kan het zijn dat voor een heel specialistisch vakgebied wel een docent met minder uren komt. En ook bij ziekte kan korte vervanging nodig zijn.

Annetje Ottow: “Deze maatregel komt voort uit het idee dat we anders met de tijdelijke docenten willen omgaan. We willen ze meer helderheid geven over hun aanstelling, meer mogelijkheden bieden voor ontwikkeling. Daarmee kan het een prachtige springplank zijn voor een toekomst buiten de universiteit.”

Werkdruklunches
Het College van Bestuur heeft voor de zomer werkdruklunches gehad om te horen waarin de werkdruk zit. Daarbij waren de contracten van de tijdelijke docenten een van de onderwerpen. Andere onderwerpen waren onder meer de klachten over de inrichting van het academisch jaar en de werkwijze van teachingloadmodellen waarbij de verhouding van hoeveelheid werk bij docenten niet altijd realistisch is ten aanzien van de beschikbare tijd. Het College van Bestuur wil samen met de decanen onderzoeken in hoeverre een andere invulling van het jaar kansen biedt. Daarom wordt nu geïnventariseerd wat de voor- en nadelen zijn van een trimestersysteem in vergelijk met een systeem van vier semesters.

Tijdens de lunches benadrukten deelnemers dat het vreemd is als de universiteit jaarlijks geld overhoudt en er tegelijkertijd zo’n werkdruk is. Het bestuur heeft in de contacten met de faculteiten benadrukt dat er bij een overschot gekeken moet worden hoe je geld kunt inzetten om de werkdruk tegen te gaan. Ottow: “Je kunt dan bijvoorbeeld denken aan bepaalde faciliteiten om de werklast van docenten te verlichten of het aanstellen van studentassistenten. Dit soort thema’s  bespreken we met de faculteit in het overleg over de begroting.”

Cultuuromslag
De werkdruk bespreken met een leidinggevende of team bleek voor veel mensen moeilijk. Daar wil de universiteit meer aandacht voor vragen  bij leidinggevenden. Zelf neemt het college van bestuur het goede voorbeeld door bij elk nieuw voorstel te onderzoeken wat invoering betekent voor de werkdruk.

“Bij het bestrijden van werkdruk zijn concrete maatregelen belangrijk, maar het gaat niet alleen maar om meer geld”, zegt Ottow. “Het gaat ook om een verandering van cultuur. We moeten nee durven zeggen en werkstress in teams bespreekbaar maken. Sommigen zaken, zoals de nadruk op scoren met onderzoek, kan je overigens niet op één universiteit aanpakken. Dat zou je binnen de vereniging van universiteiten (VSNU) bespreekbaar moeten maken.”

WOinActie
Ingrid Robeyns van WOinActie zegt waardering te hebben voor de voortvarende manier waarop het College van Bestuur de werkdruk aanpakt. Ze denkt dat langere contracten kunnen helpen om stress te verminderen.  “De tijdelijke docenten zullen zeker liever een contract van vier jaar hebben dan een contract van een jaar en de onzekerheid of er daarna nog iets komt.”

Ook voor mensen met een vast contract is het volgens haar gunstig dat er wat stabiliteit en rust in de tent komt. “Het is te verwachten dat het in vergelijking met kortere onderwijscontracten ook beter is voor het onderwijs, omdat eenzelfde cursus een aantal opeenvolgende jaren door dezelfde docenten kan worden gegeven.”

Risico voor verdere uitkleding
Robeyns maakt we de kanttekening dat een normalisering van functies met alleen onderwijs een risico vormt. “De verwevenheid van onderwijs en onderzoek is kenmerkend voor de universiteit. Daar zal het bestuur richting Den Haag op moeten blijven hameren. Als we dat opgeven, staat de deur open naar een verdere uitkleding van universiteiten.”

Wat betreft de voorgestelde cultuurverandering voegt Robeyns toe dat er voor docenten ook een taak ligt om studenten duidelijk te maken wat hun probleem met werkdruk is. “Wij krijgen soms de vraag van studenten om meer feedback te geven op wekelijkse opdrachten. Daar is gewoon geen tijd voor. Op dit moment is het zo dat de financiële krapte en onderbemensing in verhouding tot het takenpakket opgevangen wordt door de sterke beroepsethos van docenten, die hun studenten niet in de steek willen laten en daardoor structureel overwerken; misschien moeten docenten ook studenten bewust maken dat het zo werkt. Den Haag wil voor een dubbeltje op de eerste rang zitten, en op dit moment is dat alleen mogelijk door de vele extra uren die docenten maken; het lijkt me belangrijk dat studenten zich hiervan bewust zijn.”

Facebook Twitter Whatsapp Mail