Open brief Uraad aan de academische gemeenschap van de UU

Body: 

Hier publiceert DUB een open brief (pdf) waarin de Universiteitsraad reageert op de discussie over de toekomst van de universiteit, de wijze waarop deze momenteel wordt bestuurd en de bevoegdheden van de medezeggenschap.

Hier publiceert DUB een open brief (pdf) waarin de Universiteitsraad reageert op de discussie over de toekomst van de universiteit, de wijze waarop deze momenteel wordt bestuurd en de bevoegdheden van de medezeggenschap.

Geachte academische gemeenschap van de Universiteit Utrecht,

Gedurende de afgelopen weken hebben diverse leden van de universiteitsraad deelgenomen aan uiteenlopende bijeenkomsten over de toekomst van de universiteit en het wetenschappelijk onderwijs. Ook overlegde de universiteitsraad als geheel dan wel vertegenwoordigers van de raad op verschillende momenten met het College van Bestuur over de thema’s die momenteel velen binnen de universitaire gemeenschap bezig houden.

Nu de eerste stofwolken zijn neergedaald en – via de brief van 30 maart – ook de opvattingen enigszins zijn uitgekristalliseerd van degenen die zich rond het Rethink UU-initiatief hebben verzameld, wil de universiteitsraad via deze open brief graag een aantal van zijn opvattingen en ideeën onder de aandacht brengen.

Gedeelde zorg
Om te beginnen delen wij met velen de zorgen over een reeks ontwikkelingen binnen het hoger onderwijs. Diverse – toen hoogst noodzakelijke - maatregelen om paal en perk te stellen aan de vrijblijvendheid, de inefficiëntie en het bestuurlijke amateurisme van de universiteit van de jaren zeventig en tachtig zijn doorgeschoten en bewerkstelligen inmiddels het tegendeel van wat ze beoogden: ze belemmeren kwalitatief hoogwaardig onderwijs en onderzoek meer dan dat ze stimulerend werken, onder andere omdat ze zich sterk op kwantitatieve doelen richten. Voor een deel heeft dat te maken met de bijna inherente bureaucratisering die met deze maatregelen gepaard ging.

Voor een ander deel worden de problemen veroorzaakt door het feit dat de financiering uit de eerste geldstroom van de universiteit geen gelijke tred heeft gehouden met de ambities ten aanzien van onderwijs en onderzoek, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin.

Om het beeld van Charlie Chaplin’s ‘Modern Times’ te hanteren: de universiteit lijkt volgens velen steeds meer op een fabriek en bovendien op een fabriek waar de lopende band steeds sneller draait. Sommigen kunnen dat tempo aan en gedijen prima in dit ‘moderne’ klimaat.

Anderen hebben daar meer moeite mee en/of wijzen de fabrieksmatige organisatie van de wetenschap en het hoger onderwijs ten principale af. Het krachtige signaal dat de laatste groep heeft afgegeven, toont dat zowel Haagse als lokale universitaire bestuurders het contact met die groep lijkt te hebben verloren. Ook de georganiseerde medezeggenschap mag zich dit verlies van contact met een deel van de universitaire gemeenschap tot op zekere hoogte aanrekenen.

Utrechtse medezeggenschap op verschillende terreinen succesvol
Wie de moeite neemt (en eigenlijk zou iedereen die kritiek heeft op het stelsel van medezeggenschap dat ook daadwerkelijk moeten doen) na te gaan wat er de afgelopen jaren zoal gewisseld is tussen enerzijds de universiteitsraad en anderzijds het College van Bestuur en de Raad van Toezicht zal het opvallen dat dit bij herhaling ook de thema’s zijn die centraal staan in het Maagdenhuis of de Eetkamer van onze eigen UBB, waar al enkele weken dagelijks debatten worden gevoerd. We noemen: het beperken van de uitgaven aan huisvesting en het zoveel mogelijk middelen beschikbaar stellen voor onderwijs en onderzoek, de werkdruk, kleinschalig onderwijs, het terugdringen van flexibele contracten, aandacht voor ‘gewone’ studenten en niet alleen voor uitblinkers, de rechten van de medezeggenschap, de druk op wetenschappers om alsmaar achter geld aan te moeten jagen en de onafhankelijkheid van het onderzoek. Hebben we op deze punten iets ‘binnengehaald’? Jazeker, maar lang niet alles en op het ene punt meer dan op het andere. Dat is nu eenmaal de keerzijde van meedoen aan het politieke proces: vuile handen maken en compromissen sluiten. Wie nu nog aan wal staat en denkt dat hij of zij ons daarbij kan helpen of het zelfs beter kan, is van harte uitgenodigd om met ons mee te praten en – soms – te strijden.

Ondanks goede relaties met het bestuur behoeft de medezeggenschap versterking
Hoewel zeker aan de Universiteit Utrecht de uitwisseling van ideeën tussen de universiteitsraad enerzijds en het College van Bestuur en de Raad van Toezicht anderzijds intensief en vaak principieel van aard is en de onderlinge relaties goed en open zijn (daarin lijkt de situatie hier wezenlijk te verschillende van die aan de UvA), valt er aan de relaties met de achterban nog heel wat te verbeteren. De universiteitsraad heeft daar de afgelopen jaren al flink in geïnvesteerd via Informail, het frequente overleg tussen de UR en de verschillende faculteits- en dienstraden, het organiseren van vragenuurtjes met de rector en de collegevoorzitter, ingezonden stukken in DUB, het entameren van debatten (zoals over het thema werkdruk) en een gefilmd jaarverslag. Maar het kan altijd beter. Met het oog daarop hebben we als onderdeel van het zogeheten Sofokles-project (een project gericht op het verbeteren van de universitaire medezeggenschap) plannen ontwikkeld om die relaties verder te versterken. Een belangrijk onderdeel daarvan vormt het streven om alle leden van faculteits- en dienstraden voldoende tijd beschikbaar te stellen om hun medezeggenschapstaken meer body te geven. Als zij meer tijd beschikbaar hebben, kunnen wij hen vanuit de UR ook bij verschillende projecten betrekken. Zij, op hun beurt, hebben dan ook meer gelegenheid voor het onderhouden van contacten en communicatie met hun achterban.

Medezeggenschap steunt op bevoegdheden én een positieve cultuur
Zouden we dan niet meer bevoegdheden willen hebben? Nou graag! Maar meer bevoegdheden ontslaat de medezeggenschap niet van de verantwoordelijkheid (minstens) even zorgvuldig de discussie met het bestuur te voeren als thans het geval is. Meer bevoegdheden, bijvoorbeeld instemmingsrecht ten aanzien van de begroting, maakt wel dat de medezeggenschap meer als gelijkwaardige partner aan tafel zit.

Minstens zo belangrijk als de bevoegdheden van de medezeggenschap is de cultuur binnen de organisatie. Zowel Raad van Toezicht als College van Bestuur geven bij herhaling aan de medezeggenschap belangrijk te vinden. Recent toonde de rector zich tijdens de Diesviering nog onomwonden voorstander van een goed functionerende medezeggenschap. Die visie en zeker de praktische vertaling er van is nog niet overal binnen onze instelling gemeengoed. Nog te vaak worden collega’s niet gestimuleerd om medezeggenschapstaken op zich te nemen, ondanks dat het ook in het eigen belang van een onderdeel kan zijn als een medewerker actief bij de medezeggenschap betrokken is (al was het alleen maar vanwege het overzicht en de informatievoorsprong).

Geen gekozen RvT- of CvB-leden; wel serieuze inspraak gewenst
In het licht van het bovenstaande heeft de universiteitsraad in samenspraak met de Raad van Toezicht er de afgelopen jaren voor gekozen bij alle profielschetsen en alle voorgenomen benoemingen in de Raad van Toezicht te worden gehoord in plaats van één lid te mogen voordragen dat exclusief het vertrouwen van de medezeggenschap geniet. Vanuit dat perspectief heeft de UR ook steeds benadrukt het belang van voldoende kennis van en betrokkenheid in de RvT op het punt van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Anderzijds is de Universiteit Utrecht (evenmin als de zusters) geen koekjesfabriek, werken er duizenden mensen, staan de belangen van nog veel meer duizenden studenten op het spel en gaan er miljoenen euro’s om. Dat vergt een professioneel team dat toezicht houdt, niet alleen op de financiën, maar ook op de strategie ten aanzien van onderwijs en onderzoek. In een dergelijk team past naar de opvatting van de universiteitsraad geen student of een medewerker. Wel zou het goed zijn als de medezeggenschap niet pas op het allerlaatste moment gehoord werd, terwijl het persbericht al klaar ligt, maar zouden eventuele bedenkingen door de medezeggenschap moeten worden geuit op een moment dat ze nog van wezenlijke invloed op de besluitvorming kunnen zijn.

Hetzelfde geldt voor het College van Bestuur. Liever goed intern (door de UR) en extern (door de RvT) toezicht dan een gekozen rector en/of een student-lid dat binnen de kortste keren - al was het maar vanwege zijn/haar kennisvoorsprong en de noodzaak bepaalde informatie niet onmiddellijk te delen - de band met de achterban verliest (zo één individu al een band met tienduizenden studenten zou kunnen onderhouden).

Wel is van belang dat RvT en CvB zo open en transparant mogelijk over hun reilen en zeilen communiceren en voeling houden met wat op de werkvloer leeft. Op het laatste punt springt de Utrechtse situatie er positief uit, ook al voelt niet iedereen zich gekend. Op het punt van de transparantie zijn nog verbeteringen mogelijk. UR en CvB respectievelijk RvT hebben op dit punt inmiddels concrete verbeterpunten geformuleerd.

Meer draagvlak voor decanen en departementshoofden
De student als onderdeel van het facultaire bestuursteam functioneert in veel gevallen naar behoren en tevredenheid. Veelal betreft het een student die eerder ervaring heeft opgedaan in de medezeggenschap en aldus ook over de nodige verbindingen met de studenten in de faculteit beschikt. Het draagvlak van decanen en departementshoofden zou kunnen worden vergroot door vanuit de faculteit niet alleen de directeur en een ander lid van het bestuursteam bij de benoemingsprocedure te betrekken, maar ook ‘gewone’ hoogleraren. De decaan is – anders dan leden van het College van Bestuur – veel meer tijdelijke primus inter pares, staat veel dichter bij de werkvloer en is daarom voor zijn/haar dagelijks functioneren veel meer afhankelijk van het draagvlak en vertrouwen van die werkvloer. Deze redenering geldt in nog sterkere mate voor departementshoofden. We moeten af van de situatie dat de community die het betreft, volledig wordt verrast door de decaan of het departementshoofd dat uit de hoge hoed wordt getoverd.

Samen optrekken naar Den Haag
De demonstranten van de afgelopen weken wijzen er terecht op dat een flink deel van de problemen in Den Haag moet worden opgelost. Meer dan in het verleden zouden zeggenschap en medezeggenschap gezamenlijk richting Den Haag moeten optrekken. Tot dusver lijkt de universitaire medezeggenschap bij het ministerie van OCW een beter luisterend oor te vinden dan bij de VSNU. De instellingen lijken er bij te kunnen winnen door vaker één front te vormen met de medezeggenschap.

Maar ook samen in Utrecht de schouders er onder
Ondertussen kunnen we in Utrecht aan de slag met de onderwerpen waar we gezamenlijk zelf over gaan. We noemen – naast de al geadresseerde punten van voldoende tijd voor de medezeggenschap op het niveau van faculteits- en dienstraden, het werken aan breder draagvlak voor de benoemingen van decanen en departementshoofden en betere communicatie over wat medezeggenschap en bestuur samen bespreken - de volgende punten.

  1. Terugdringen van de universitaire, facultaire en departementale bureaucratie. Daarbij zou aan de orde moeten komen welke administratie/bureaucratische taken beslist nodig zijn en welke kunnen worden gemist. Tevens zou aan de orde moeten komen door wie de beslist noodzakelijke taken moeten worden uitgevoerd. Zijn dat docenten/onderzoekers bij wie de afgelopen jaren steeds meer taken terecht zijn gekomen of moeten we op sommige plekken ‘de secretaresse’ weer in ere herstellen? De universiteitsraad dringt aan op het instellen van een taskforce om dit proces in gang te zetten.
  2. Vanuit de medezeggenschap is de afgelopen jaren regelmatig het thema werkdruk op de agenda gezet. Mede onder invloed van die discussie zijn op diverse plaatsen binnen de UU inmiddels extra middelen ingezet om – mede ten behoeve van kleinschalig onderwijs – de werkdruk te verlichten. Lang niet overal is de invloed van die extra middelen echter merkbaar. Wij willen daarom op korte termijn meer inzicht in de inzet en effecten van deze middelen én in betere instrumenten voor het personeel om met werkdruk om te gaan.
  3. De rector was binnen de UU een van de eersten die – terecht – het thema ‘slow science’ op de agenda heeft gezet. Ook de ‘science in transition’-beweging kent een sterke Utrechtse poot. Op de werkvloer is van deze veranderende inzichten vooralsnog weinig te merken: daar wordt nog steeds geteld en geturfd alsof er niets is gebeurd. Juist op dat punt moet iets veranderen om weg te komen bij de universiteit als dolgedraaide publicatiemachine.
  4. Zeker bij onderdelen die sterk vergrijsd zijn en waar sprake is van een onevenwichtige personeelsopbouw zouden tijdelijke middelen moeten worden ingezet om goede jongere academici (net gepromoveerde aio’s of postdocs) een kans te bieden hun loopbaan bij de UU voort te zetten als opmaat naar het moment waarop de ouderen daadwerkelijk uitstromen. Eventueel kunnen ook tijdelijke middelen worden ingezet om die uitstroom te bevorderen.

Als College van Bestuur en medezeggenschap deze actiepunten gezamenlijk oppakken parallel aan de discussie die in Den Haag wordt gevoerd over de financiering van het universitaire onderwijs en de bevoegdheden van de medezeggenschap, kunnen we een aantal stappen zetten om de Universiteit Utrecht waar velen nu reeds met plezier studeren en werken tot een nog betere universiteit en werkgever te maken.

Tot slot gebruiken we deze open brief graag om iedereen, studenten en medewerkers, op te roepen bij de verkiezingen voor de universiteitsraad, voor dienst- en faculteitsraden zoals die in de loop van april worden gehouden, te gaan stemmen. In diverse gevallen is het mogelijk tussen lijsten te kiezen, maar ook waar slechts één lijst meedoet, vormt elke extra stem een steuntje in de rug van de medezeggenschappers die de komende jaren voor jullie aan de slag gaan.

Met vriendelijke groet,
namens de Universiteitsraad

Fred Toppen,
voorzitter

 

 

Facebook Twitter Whatsapp Mail