Waarom moet Utrecht eigenlijk een International University worden?

Body: 

De waaromvraag ontbreekt in de discussie over internationalisering, schrijft Jaap Bos, universitair docent aan de faculteit Sociale Wetenschappen.

De waaromvraag ontbreekt in de discussie over internationalisering, schrijft Jaap Bos, universitair docent aan de faculteit Sociale Wetenschappen.

Ik heb het artikel van Henk van Rinsum over ‘internationalisering’ met belangstelling gelezen en vind het prachtig dat er ambities worden neergezet voor Utrecht. Een fundamentele keuze, stelt de auteur. Utrecht moet opteren voor een toekomst met een internationale populatie van docenten, onderzoekers, studenten en ondersteuners, en het mag niet alleen gaan over meer Engelstalig onderwijs.

Oké. Maar nu de argumenten. Ik vind er in het hele stuk maar één. Er is volgens Van Rinsum sinds 1850 sprake van een soort historische ontwikkeling, waarbij wij (academici) ons in toenemende mate op de internationale universitaire gemeenschap zijn gaan richten, “en die lijn moeten we nu doortrekken”, zodat we een ‘bruisende gemeenschap’ kunnen worden.

Mag ik daar een paar bescheiden kanttekeningen bij plaatsen?

Dat van die historische ontwikkeling geloof ik om te beginnen niet. Grote intellectuelen hebben zich altijd al op de brede academische gemeenschap gericht. Dat ligt in de aard van het beestje. Wie iets wil weten zoekt de kennis op (het gaat nooit omgekeerd), en wie zich verstaanbaar wil maken gebruikt de lingua franca van zijn tijd. Onze eigen Langeveld schreef in het Duits en ging er prat op daar bekender te zijn dan hier. Dat was in 1950. Begin 1900: ook Heymans (uit Groningen) schreef in het Duits. Nog verder terug: Wundt, een Duitser, schreef in het Duits, maar toen leerden de Amerikanen Duits en kwamen ze naar Leipzig om college bij hem te volgen (kun je je nu niet meer voorstellen). Dat al die figuren zijn ‘vergeten’ ligt niet aan dat Duits - dat komt omdat hun ideeën uit de mode zijn geraakt, een lot dat nagenoeg iedereen zal treffen en tot wat meer bescheidenheid zou mogen uitnodigen, denk ik wel eens.

Maar zelfs als er wel een historische ontwikkeling zichtbaar is, waarheen leidt dat ‘doortrekken’ van die lijn dan? Ik mis hier enige visie, behalve dan een vage utopie van ‘bruisende activiteit’ waar niemand tegen kan zijn. Zou die toekomstvisie niet wat concreter gemaakt kunnen worden? Wie missen we nu? Toponderzoekers uit de VS of Engeland neem ik aan? Goed. Maar wanneer komen die? Als het salaris navenant is, en (vooral) als ze een grote mate van academische vrijheid krijgen om te doen waar ze goed in zijn. John Shotter, een internationale grootheid op zijn terrein, werd in de jaren negentig naar Utrecht gehaald (toen er nul colleges in het Engels werden gegeven) en was na anderhalf jaar vertrokken. Hij bleek van de bestuurders vooral beleidsrapporten te moeten schrijven.

Meer topstudenten dan? Meer topondersteuners? Maar waarom zouden die hier komen? Wat hebben wij hen te bieden? Zie je, dat is wat volgens mij de vraag zou moeten zijn, niet of wij hier wel Engels spreken (dat doen we namelijk al lang, zij het onbeholpen, maar dat geeft echt niet). In die zin begrijp ik de verzuchting van Van Rinsum dat de discussie over internationalisering altijd alleen maar gaat over de invoering van Engels. En toch is dat de enige concrete stap die nu wordt gezet op dit pad naar de toekomst.

Ik mis visie en ambitie in de formulering van visie en ambitie, zogezegd.

Facebook Twitter Whatsapp Mail