Bijna helft hoogleraren meldt bijbanen niet of onvolledig

Body: 

Bijna de helft van de Nederlandse hoogleraren meldt zijn nevenfunctie niet of deels niet op zijn profielpagina. De motieven lopen uiteen van laksheid tot het bewust afschermen van die bijbaan.

Dat blijkt uit een onderzoek van De Onderzoeksredactie dat recent in de Groene Amsterdammer is gepubliceerd. Op hun website geven ze een verantwoording en een overzicht van de meest opvallende uitkomsten.

Bijna de helft van de Nederlandse hoogleraren meldt zijn nevenfunctie niet of deels niet op zijn profielpagina. De motieven lopen uiteen van laksheid tot het bewust afschermen van die bijbaan.

Dat blijkt uit een onderzoek van De Onderzoeksredactie dat recent in de Groene Amsterdammer is gepubliceerd. Op hun website geven ze een verantwoording en een overzicht van de meest opvallende uitkomsten.

In de gedragscode van de VSNU, de vereniging van universiteiten, staat dat alle wetenschappers een ‘actueel en volledig overzicht’ moeten geven op hun profielpagina. En toch gebeurt het in bijna de helft van de gevallen niet volledig. Eén vijfde van de 750 ondervraagde hoogleraren geeft zelf aan de nevenactiviteiten niet op de profielpagina weer te geven Hoe komt dat toch?

Uit de enquête blijkt dat de meesten het zijn vergeten of zeggen dat de website niet goed werkt. Maar er zijn ook wetenschappers die expliciet aangeven dat hun nevenwerkzaamheden vertrouwelijk zijn. Ze willen die niet delen.

In Utrecht is de regel dat de faculteiten aan het College van Bestuur moeten rapporteren hoe ze overzicht houden over de nevenwerkzaamheden. Toch zijn de problemen in Utrecht hetzelfde. zo laat De Onderzoeksredactie weten. Van de 127 Utrechtse hoogleraren die meededen aan het onderzoek zegt 79 een bijbaan te hebben. Iets minder dan de helft (47 procent) zegt dat ze nevenactiviteiten alleen moeten melden en dat toestemming vragen niet nodig is. Ruim een kwart (27 procent) beweert dat ze het niet eens hoeven te melden.

“Binnen mijn faculteit hebben redelijk wat hoogleraren geen boodschap aan discussies over nevenfuncties”, zegt bèta-decaan Gerrit van Meer in het artikel in De Groene. “Zij zijn overtuigd van hun wetenschappelijke integriteit en die van hun collega’s. Je kunt hun het belang van transparantie maar moeilijk bijbrengen.”

Toch gaat dat regelmatig mis. Zo ontstond er commotie vanwege een promotie over de lustpil voor vrouwen waarbij de promovendus directeur van het bedrijf is dat de pil op de markt wil brengen en de commissie bestond uit leden die banden met dat bedrijf hebben. Van Meer moest formeel de commissie goedkeuring geven, maar zegt niet over het bestaan van die banden te hebben geweten.

Uit een onderzoek onder de profielpagina’s van 3100 hoogleraren in heel Nederland kwamen de redacteuren op een totaal van 11.400 nevenwerkzaamheden, waarbij het werk voor wetenschappelijke tijdschriften niet is meegerekend. Bij een steekproef bleek dat daarnaast een derde van de nevenwerkzaamheden niet is opgegeven. Je zou dan op een totaal van 17.000 nevenactiviteiten komen. Het merendeel van de functies wordt bekleed bij de overheid of semi-overheidsinstellingen (37 procent), gevolgd door maatschappelijke organisaties zonder winstoogmerk (35 procent) en in het bedrijfsleven (17 procent).

Het hebben van nevenfuncties is een logisch gevolg van het beleid van de universiteit. Die vraagt steeds meer om maatschappelijke zichtbaarheid van de wetenschappers. Maar tegelijkertijd staat in de gedragscode ook dat de onderzoekers zich moet laten leiden door ‘geen ander belang dan het wetenschappelijk belang’. Juist die grote maatschappelijke zichtbaarheid maakt de wetenschap kwetsbaar. In dat geval lijkt transparantie meer dan ooit noodzakelijk.

Facebook Twitter Whatsapp Mail