Foto: DUB, pixabay, shutterstock

Onderwijsraad kraakt plannen voor ‘eigen’ kwaliteitskeuring hoger onderwijs

Body: 

De overheid houdt toezicht op het onderwijs om te bepalen of het onderwijs goed genoeg is. Een simpel principe dat niet uit het oog verloren mag worden, zegt voorzitter Edith Hooge van de Onderwijsraad die in een nieuw advies terughoudender is over instellingsaccreditatie. Jammer, vindt de Universiteit Utrecht die voorstander is van deze vorm van onderwijskeuring.

Read in English

Van basisschool tot en met universiteit kijkt de overheid mee met het onderwijs: hoe is de kwaliteit? Waar betalen we eigenlijk voor? Mogen we erop vertrouwen dat leerlingen en studenten goed opgeleid worden?

In het hoger onderwijs worden alle opleidingen eens in de zes jaar gekeurd door accreditatieorganisatie NVAO, maar daar is veel weerstand tegen. Het kost tijd en moeite, en veruit de meeste opleidingen zijn goed genoeg. Laat het maar aan ons over, zeggen met name de universiteiten. Kijk of wij onze eigen systemen en beleid op orde hebben en geef ons dan vertrouwen. Wij keuren onze opleidingen zelf wel.

En ze vinden gehoor. Verschillende ministers hebben gekeken of ze in die richting kunnen bewegen en ook accreditatieorganisatie NVAO voorziet weinig problemen. In plaats van ‘opleidingsaccreditatie’ zou er ‘instellingsaccreditatie’ kunnen komen, is de gedachte. Net als in Vlaanderen.

Het grote voordeel? Instellingen kunnen meer nadruk leggen op aspecten die ze belangrijk vinden in hun opleidingen. En in de praktijk zou het niet eens zoveel uitmaken: uiteindelijk vellen panels van deskundigen het oordeel. Dat is nu al zo, en in het nieuwe systeem blijft dat hetzelfde. De Universiteit Utrecht is voorstander van een instellingsaccreditatie.

Maar in het nieuwe advies Essentie van extern toezicht plaatst de Onderwijsraad kanttekeningen. Kies er niet lichtzinnig voor, staat erin. “Hoe je het ook inricht, laat de NVAO de kwaliteit van de afzonderlijke opleidingen blijven keuren”, zegt voorzitter Edith Hooge, tevens hoogleraar Onderwijsbestuur in Tilburg. “De overheid moet niet alleen afhankelijk zijn van het eigen oordeel van onderwijsbestuurders.”

Wat is het gevaar van instellingsaccreditatie?
“Het zou een ingrijpende wijziging zijn, dus die moet je goed doordenken. De strekking van ons advies is: welke vorm je ook kiest, zorg dat de NVAO direct toezicht houdt op de kwaliteit van het onderwijs in de praktijk. Je kunt wel kijken hoe de instelling zijn eigen kwaliteitszorg organiseert, maar hoe weet je dat het systeem werkt? Je moet oppassen dat je geen papieren werkelijkheid gaat creëren. Daarom moet je toch altijd de opleidingen zelf beoordelen.”

In Vlaanderen hebben ze al instellingsaccreditatie.
“Dat klopt. Maar in dit advies stellen we fundamentele, principiële vragen. Waarom houden we toezicht? Hoe moeten we dat dan doen?”

U wilt dus extern toezicht op opleidingen behouden. Bent u dan tegen instellingsaccreditatie?
“Wij zeggen: extern toezicht moet regelmatig de kwaliteit in elke opleiding beoordelen, met daar bovenop toezicht op bestuurs- of instellingsniveau.”

En het volstaat dus niet om steekproefsgewijs naar de opleidingen te kijken?
“Nee.”

Maar dan zijn jullie toch ronduit tegen instellingsaccreditatie?
“Nee, we zeggen alleen dat extern toezicht altijd een volwaardig kwaliteitsoordeel over de afzonderlijke opleidingen moet vellen, ook als er een nieuw systeem van accreditatie komt. Daarnaast kun je natuurlijk een oordeel geven over de visie op onderwijskwaliteit en het beleid van de instelling als geheel.”

Er loopt nu een pilot met instellingsaccreditatie, met daaraan gekoppeld een lichtere beoordeling van de opleidingen.
“Wij zouden niet voor een lichtere keuring pleiten. Je moet met docenten en studenten praten en horen hoe de onderwijskwaliteit van hun opleiding ervoor staat. Het lijkt mij ook een professioneel verlangen, als ik dat zo mag noemen. Je hebt de behoefte dat een ander goed onderbouwd een kritisch oordeel velt. Dat levert misschien ook aanknopingspunten op om het onderwijs te verbeteren, maar dat is niet de essentie van het toezicht.”

Volgens jullie advies is toezicht niet bedoeld om het onderwijs te verbeteren. Waarom eigenlijk niet? Het is vast nuttig om de adviezen van de deskundige beoordelaars te horen.
“Er zijn allerlei manieren om de kwaliteit van het onderwijs te bevorderen, zoals samenwerking tussen de opleidingen of kritische gesprekken met collega’s. We hebben ook het Nationaal Regieorgaan Onderwijs (NRO), dat allerlei didactisch onderzoek toegankelijk maakt. Dat is heel belangrijk, begrijp me niet verkeerd, maar de primaire taak van het externe toezicht is bewaken en beoordelen. Dat moet je niet laten ondersneeuwen.”

Voor het toezicht op scholen en mbo-instellingen bepleit u heldere, wettelijke normen. Waarom niet voor het hoger onderwijs?
“In het hoger onderwijs ligt dat anders. De wet kent voor het hoger onderwijs nauwelijks inhoudelijke kwaliteitsnormen. Dat hoeft ook niet, want in plaats daarvan hebben we het oordeel van experts die de opleidingen komen beoordelen. Als de experts verwante opleidingen van verschillende instellingen als een cluster samennemen, dan komen daar toch vrij heldere normen uit.”

Soms wil de politiek via de accreditatie een verandering afdwingen. Engelstalige opleidingen moeten straks bijvoorbeeld aan de NVAO uitleggen waarom ze niet Nederlandstalig zijn.
“Het externe toezicht is gericht op inhoud, eindniveau, toetsing, kwaliteit van de docenten enzovoorts, maar ook op het niveau van taalbeheersing. Op die manier zou het erin passen.”

Maar dan is de accreditatie dus geen goed middel om de ‘verengelsing’ van het hoger onderwijs tegen te gaan?
“De experts moeten bepalen hoe goed het onderwijs is. De voertaal is een andere kwestie, die niet in de accreditatie past. Wel schrijft de Onderwijsinspectie elk jaar ‘De Staat van het Onderwijs’. Daar zou het wel in passen, en dan kan de politiek ook keuzes maken. Maar wij zeggen: hou de accreditatie zuiver.”

UU-rector Henk Kummeling reageert: 'Niet op voorhand diskwalificeren'

Als UU staan we positief tegenover een mogelijke stelselwijziging in de richting van instellingsaccreditatie. Net als bij de Onderwijsraad staat een goede, transparante borging van de onderwijskwaliteit voorop in de overweging die we daarin maken, maar we komen daarbij tot een andere conclusie dan de Raad.

Het huidige stelsel op basis van opleidingsaccreditaties is te nadrukkelijk gericht op monodisciplinaire opleidingen binnen één faculteit. Voor interdisciplinair onderwijs en samenwerkingen met andere instellingen knelt dit: deze opleidingen zijn moeilijk onder te brengen in geschikte nationale clusters en treffen panels met te eenzijdige expertise. Nieuwe opleidingen, maar ook herziene programma’s, vallen steeds vaker in deze categorie.

Ons onderwijsaanbod is al heel divers. Als je de groei van Onderwijs voor Professionals en de ontwikkelingen rond microcredentials daar bij optelt, blijkt dat we voor doelmatige kwaliteitsborging meer bewegingsruimte nodig hebben dan een stelsel gebaseerd op traditionele opleidingsaccreditaties kan bieden. Instellingsaccreditatie biedt die ruimte, en leidt niet per definitie, zoals te vaak gezegd wordt, tot instellingen ‘die hun eigen opleidingen keuren’. Dat is een te simpele weergave van een stelsel dat werkt met onafhankelijke panels van deskundigen en getuigt ook van weinig vertrouwen in de kennis en expertise van de NVAO als toezichthouder.


Een overstap naar instellingsaccreditatie zou een ingrijpende wijziging zijn en die wordt daarom ook goed doordacht: door alle betrokken partijen. De kritische adviezen van de Onderwijsraad zijn zeer welkom, maar wij zouden deze graag willen benutten om de mogelijke invulling van instellingsaccreditatie verder aan te scherpen, niet om deze vorm van kwaliteitsborging op voorhand te diskwalificeren. 
Hoe gaat accreditatie nu?

Keuring van kwaliteit
Opleidingen in het hoger onderwijs krijgen elke zes jaar te maken met een keuring van accreditatieorganisatie NVAO. Alleen goedgekeurde opleidingen mogen diploma’s verstrekken. Voor die opleidingen kunnen studenten ook studiefinanciering aanvragen. Nieuwe opleidingen moeten goedgekeurd worden voordat ze van start mogen.
Hoe verloopt zo’n accreditatie op dit moment?
Panels van deskundigen krijgen informatie van de opleidingen en praten met bestuurders, docenten en studenten. Ze kijken naar het niveau van scripties, het onderwijsprogramma, de faciliteiten en meer. Zij vellen uiteindelijk hun oordeel. De NVAO geeft vervolgens het stempel van goedkeuring. Eventueel krijgt een opleiding één of twee jaar de tijd om onvolkomenheden weg te werken.
Krijgen veel opleidingen zo’n herstelperiode?
Vroeger meer dan nu. Het gaat om zo’n 5 procent van de opleidingen. Tot een echte afkeuring komt het zelden. Dreigt dat te gebeuren, dan kiest de onderwijsinstelling meestal eieren voor haar geld en sluit zij de opleiding voordat de NVAO een rode kaart trekt.
Is een accreditatie veel werk?
Critici vinden van wel. Daarom is de instellingstoets kwaliteitszorg (ITK) bedacht. Een universiteit of hogeschool kan daarin laten zien dat het eigen systeem van kwaliteitszorg op orde is. Dan hoeft dat niet elke keer bij alle opleidingen gecheckt te worden, zodat de opleidingsaccreditaties ‘lichter’ worden. Een ITK is – net als een accreditatie – zes jaar geldig. De Universiteit Utrecht slaagde in 2018 en daarvoor in 2012 voor deze toets.
Wat is het verschil tussen een ITK en instellingsaccreditatie?
Na een ITK worden alsnog alle opleidingen elke zes jaar gekeurd door de NVAO, alleen is de toets lichter. Instellingsaccreditatie is anders. Daarbij keurt de NVAO een hele universiteit of hogeschool goed. Die kan dan zelf de kwaliteit van de afzonderlijke opleidingen bewaken, is het idee.

Facebook Twitter Whatsapp Mail